Zeven keer het nut van kleine klassen

    0
    1177

    In vijf jaar tijd naar een maximum klassengrootte van 21 leerlingen, zowel in het basis- als voortgezet onderwijs. Waarom zet de AOb hier op in, en hoezo nu? Eugenie Stolk, voorzitter van de AOb, licht het initiatief toe.

    Als de klassen kleiner worden zijn er nog meer leraren nodig, hoe valt dat te rijmen met het lerarentekort?

    “Het lerarentekort is er, het groeit en er is geen zicht op een structurele daling. In de prognoses zien we tot 2028 een stijgende lijn in het gebrek aan leerkrachten. De aanmeldingen op sommige lerarenopleidingen zijn toegenomen, maar we weten ook dat de helft van de studenten het einde van de opleiding haalt en dat een kwart van de startende leraren in de eerste vijf jaar stopt. Uit onderzoek blijkt dat grote klassen een van de drie redenen is om het vak te verlaten. Daarnaast is het ziekteverzuim in het onderwijs hoog. Grote klassen verhogen de werkdruk en ik denk ook het ziekteverzuim. Dat laatste is helaas nog geen onderzoek naar gedaan.”

    “Wij willen het omdraaien: pak het lerarentekort aan met kleinere klassen, zodat de stijgende lijn van het tekort omgezet kan worden in een dalende lijn. Doe dit samen met een betere begeleiding van starters, en dan heeft het – vanuit economisch onderzoek onderbouwd – een positief effect op de economie én op de leerlingen.”

    Waarom een maximum van 21 leerlingen en niet bijvoorbeeld 25?

    “Volgens berekeningen van het CPB levert dit aantal relatief gezien de grootste leerwinst oplevert in Nederland. Ook uit andere wetenschappelijke studies blijkt dat substantieel kleinere klassen – van maximaal 21 leerlingen – leiden tot betere prestaties. In het primair onderwijs zijn experimenten uitgevoerd en daaruit blijkt dat grotere klassen – van 25 leerlingen – leiden tot kleinere positieve effecten. Uit de wetenschappelijke literatuur kun je afleiden dat vooral leerlingen uit achterstandssituaties profiteren van kleinere groepen. En dat startende leraren het beduidend beter doen in kleinere klassen.”

    Het is toch de taak van scholen en niet van de overheid om te besluiten over de grootte van de klassen?

    “De groepsindeling is een taak van de school, inderdaad. Maar de overheid kan heel goed een maximumgrens stellen als het gaat om de grootte van die groep. En dan is de school nog steeds vrij om de groepen in te delen. Dit is geen inbraak in de vrijheid van onderwijs, maar een voorwaarde om kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden.”

    Was de klassengrootte afgelopen jaar niet gedaald?

    “De overheid gaat uit van gemiddelde klassengroottes. Die bestaan alleen in theorie. Cijfers over de werkelijke klassengrootte publiceert OCW niet, de cijfers achter de ‘gemiddelden’ zijn onzichtbaar. Wat we wel weten: 30 procent van de leerlingen zit in een groep die groter is dan 25 leerlingen, 4 procent zit in een groep van 30+. Het beeld van OCW is vertekend door het meetmoment van 1 oktober: daarna stromen er in het primair onderwijs nog veel vierjarigen in en worden de kleuterklassen steeds voller.”

    Wat weten we over het effect van kleinere klassen op de onderwijskwaliteit?

    “De laatste jaren is er een opleving in het onderzoek naar klassenverkleining, en die opleving is vooral ingegeven doordat veel recepten voor beter onderwijs blijken te falen. Prestatiebeloning werd een fiasco, nieuwe sturingsmodellen werken niet en betere lerarenopleidingen komen maar moeizaam tot stand. Het debat over hoe je nu het allerbeste onderwijs kan geven is versnipperd en detaillistisch. De Nederlandse beleidsagenda is overvol, maar leidt zelden tot zichtbaar resultaat.”

    “Er zijn economen die in data zoeken naar processen die wél werken. Zo zagen onderzoekers dat in kleinere klassen de schoolprestaties beter zijn, maar vooral dat de opbrengsten op langere termijn veel hoger zijn dan verwacht. Afgelopen jaren verschenen veel onderzoeken met vergelijkbare uitkomsten, waardoor onder economen het besef is gegroeid dat klassenverkleining een goede investering is. Zo veranderde ook het CPB haar opvatting in 2016 radicaal: ‘Hoe kleiner de klas, hoe beter de leerprestaties. Dit blijkt uit een grote hoeveelheid literatuur naar de klassenomvang op de basisschool.’ Geld voor kleinere klassen moet dan overigens wel geoormerkt zijn, want anders lekt het weg in de lumpsum. Maar uiteindelijk levert een investering in kleinere klassen dus extra economische groei op.”

    Hoe zit het met de kosten voor dit plan?

    “Kleinere klassen zijn goed voor de economie, tenminste als je verder rekent dan de korte termijn. Het CPB heeft berekend dat een klassenverkleining tot maximaal 21 leerlingen 990 miljoen kost voor het primair onderwijs en een miljard voor het voortgezet onderwijs. Let wel: het gaat dan niet om een gemiddelde groepsgrootte, maar echt om een maximum. Zo’n maximum groepsgrootte van 21 leerlingen is een forse investering, maar wel eentje die zichzelf terugbetaalt en waar stapsgewijs naar toe gegroeid kan worden. Het is goed om te starten op de achterstandsscholen, omdat daar het positieve effect op de leerprestaties het grootst is. Het SEO onderzoek heeft uitgerekend dat een investering van 1,5 miljard euro in kleinere klassen en betere begeleiding van startende leraren op termijn 3,5 miljard aan extra economische groei oplevert.”

    In 1997 is een miljard gulden in klassenverkleining geïnvesteerd, dat heeft nauwelijks effect gehad. Waarom zou dat nu anders gaan?

    “Vanaf 1997 is inderdaad geld vrijgemaakt om stapsgewijs de klassen in groep één tot en met vier te verkleinen. Het geld kwam er, maar de verplichting om het aan klassenverkleining te besteden werd steeds minder strak. Je mocht er ook assistenten van inzetten. Of het besteden in de bovenbouw. De toenmalige staatssecretaris Netelenbos verhinderde onderzoek naar de effecten van de investering, en uiteindelijk kwam het geld gewoon terecht in de lumpsum. Eén miljard gulden, nu zo’n 450 miljoen euro, werd er voor uitgetrokken – en zes jaar later was het verdampt. De gemiddelde groepsgrootte daalde licht, maar is sinds 2011 weer gaan stijgen. Het is méér dan hoog tijd dat het onderwerp weer op de politieke agenda komt te staan. Ook, of zéker, nu het onderwijs overal onder druk staat door het lerarentekort.”