Leraren zien wijzigingen in bevoegdheden niet zitten

    0
    3357

    Er is weinig draagvlak voor het drastisch wijzigen van de bevoegdheden en het opleiden van leraren, blijkt uit een AOb-enquête. De Onderwijsraad adviseerde in november om de lerarenopleidingen op de schop te nemen door één brede basis in te voeren en vakken te clusteren. ‘Dit zal juist het lerarentekort vergroten’, schrijft een respondent in de AOb-enquête.

    De raad denkt dat leraren een aantrekkelijker beroep krijgen en beter inzetbaar zijn met een brede bevoegdheid”, zegt AOb-beleidsmedewerker Marieke Jansma. “Onze enquête laat duidelijk zien dat leraren daar heel anders over denken.”

    Advies

    In november 2018 publiceerde de Onderwijsraad, het adviesorgaan van de regering, het rapport ‘Ruim baan voor leraren’Uit bezorgdheid over het toenemende lerarentekort had de Tweede Kamer de raad gevraagd te onderzoeken hoe aanpassingen in de opleidings- en arbeidsstructuur van leraren kunnen bijdragen aan voldoende én goede leraren. Er kwam een ingrijpend voorstel waarin het adviesorgaan pleit voor één brede basis in alle lerarenopleidingen aangevuld met een clustering van onderwijssectoren en vakken, bijvoorbeeld voor het jonge kind, of leerlingen van tien tot en met veertien jaar, gecombineerd met gamma- of bètavakken, zodat leraren in verschillende onderwijssectoren aan de slag kunnen en meerdere schoolvakken kunnen geven. De huidige indeling van bevoegdheden voor po, vo en mbo laat de raad hiermee los.

    Weinig draagvlak

    Een enquête onder AOb-leden laat zien dat er weinig draagvlak is voor de plannen. Ruim 6300 leraren die werken in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs vulden de vragenlijst in. Jansma: “Bevoegdheid en veranderingen in de lerarenopleidingen zijn, volgens de leraren, de verkeerde knoppen om aan te draaien. Zij geven aan dat het beroep aantrekkelijker wordt door minder lesuren, een beter salaris, beter management in het mbo en – heel belangrijk – een lagere werkdruk.”

    Zo schrijft een vo-docent in de enquête: ‘De druk zit in de klassengrootte, de enorme hoeveelheid lesuren en de vele taken eromheen, zoals surveilleren wanneer je lessen wilt voorbereiden. Die zaken moeten eerst worden aangepakt.’ Een collega uit het primair onderwijs benoemt ook de werkdruk. ‘Ik denk dat je uiteindelijk meer goede docenten krijgt, als huidige docenten happy zijn en niet bedolven worden onder de werkdruk. Door tevreden docenten wordt het werk voor toekomstige docenten aantrekkelijker. Daarnaast kunnen veel parttimers weer fulltime gaan werken, mits er iets gedaan wordt aan de werkdruk.’

    Brede basis

    Driekwart van de ondervraagden vindt dat er geen brede pedagogische basis bestaat voor kinderen van twee tot en met achttien jaar en ouder. Als het gaat om didactiek zijn de docenten nog stelliger: 85 procent zegt dat er geen brede didactische basis is die voor alle onderwijssectoren en schoolvakken gelijk is. “In de antwoorden geven leraren aan dat didactiek niet los gezien kan worden van vakinhoud en dat het per leeftijdsgroep verschilt”, zegt Jansma.

    Leraren zijn verdeeld over de vraag of de lerarenopleidingen interessanter worden met een brede basis. Zo geeft 38 procent van de leraren in het primair onderwijs aan dat het de opleiding minder interessant maakt, 34 procent vindt het wel interessant. Vooral leerkrachten in kleuterklassen zijn met 52 procent negatief. In groep 8 zijn leraren een stuk enthousiaster om te leren over leerlingen in verschillende leeftijdsklassen. Jansma: “Die interesse is begrijpelijk, want zij geven ook les aan leerlingen die in het midden van de leeftijdrange zitten waarop de brede basis is gericht.”

    Slechts een kwart van de vo-docenten vindt het leren over een brede basis in de lerarenopleiding interessant, vooral docenten die werken in het praktijkonderwijs zien dat zitten. Hun collega’s in het vwo hebben de meeste bezwaren: 73 procent denkt dat het de opleiding minder interessant maakt. In het mbo vindt één op de vijf docenten een brede basis in de opleiding interessant.

    Clusteren

    Een ander belangrijk advies van de Onderwijsraad is om leerkrachten niet voor één vak op te leiden, maar voor een cluster van schoolvakken die op elkaar lijken. Schoolbesturen kunnen docenten zo flexibeler inzetten. 48 procent van de vo-docenten vindt het clusteren van vakken onwenselijk. 42 procent vindt het wel een idee om dit te doen. Binnen de onderwijssector zijn grote verschillen. Vooral in het praktijkonderwijs zijn docenten met 70 procent positief. Havo- en vwo-docenten hechten juist aan hun eigen vak en willen alleen daarin lesgeven, dat geeft bijna 70 procent aan in de enquête.

    Een vo-docent merkt op: ‘Vanuit het perspectief van de werkgevers is dit een prachtig voorstel: zij kunnen veel meer schuiven met docenten, wanneer die voor meer vakken inzetbaar zijn. De docent die vanuit zijn interesse voor een bepaald vakgebied/studie heeft gekozen heeft hier niet veel aan. Hij is niet vanuit de pedagogiek, maar vanuit een vakinhoudelijke interesse in het onderwijs terechtgekomen.’

    Het clusteren van vakken zorgt er in het mbo voor dat docenten minder breed kunnen worden ingezet. Mbo-docenten kunnen namelijk werken in het hele mbo. Uit de enquête blijkt dat er behoefte is aan het inperken van die brede inzetbaarheid. Meer dan 60 procent van de respondenten in het mbo geeft aan alleen les te willen geven in het cluster van vakken, opleidingen of beroepen waarvoor hij is opgeleid.

    Specialisaties

    Over de specialisaties in het advies, bijvoorbeeld voor het jonge kind of voor leerlingen van tien tot veertien jaar, is tweespalt. In het voortgezet onderwijs en mbo geven docenten nu vaak les aan leerlingen van verschillende onderwijsniveaus. 60 procent wil dit zo houden en ziet niets in het ‘opknippen’ van bevoegdheden voor specifieke leeftijdsklassen. In het primair onderwijs ziet bijna iedereen, 97 procent, het nut van een specialisatie in als het gaat om lesgeven in het speciaal onderwijs. Veel verdeeldheid is er in deze onderwijssector over de indeling van bevoegdheden voor het jonge en oudere kind. 45 procent van de ondervraagden in het basisonderwijs ziet een aparte bevoegdheid voor het jonge en oude kind niet zitten, 48 procent vindt het juist een goed idee.

    ‘Als je de bevoegdheden in het po gaat scheiden zal dit juist het lerarentekort vergroten. Er zitten dan straks bijvoorbeeld drie leerkrachten onderbouw thuis, terwijl een klas bovenbouw naar huis wordt gestuurd’, zo schrijft een leraar.

    Weinig draagvlak

    Volgens AOb-beleidsmedewerker Jansma is er weinig draagvlak voor het drastisch wijzigen van de bevoegdheden en het opleiden van leraren. “Dat is zorgwekkend, want het is meer dan ooit zaak om de huidige leerkrachten te behouden. Zij zien niet hoe deze plannen het leraarschap aantrekkelijker maken. Het advies lijkt eerder een oplossing voor de organisatorische problemen van schoolbesturen, terwijl het uitgangspunt altijd moet zijn: hoe verbeter je de onderwijskwaliteit. Mochten de plannen verder worden uitgewerkt, dan moeten leraren hier helemaal bij worden betrokken. Per onderwijssector, soms per groep staan leraren er anders in.”

    Download de hele rapportage van de AOb-enquête via deze link. De AOb stuurde een brief aan de Tweede Kamer over het eigen rapport. De brief lees je hier.