Wel gelijke prestaties, geen gelijke kansen

    0
    358

    De kansenongelijkheid in het onderwijs is in vijf à tien jaar verdubbeld. Een paar gemeenten geven leerlingen gratis bijlessen zodat ze wél naar havo of vwo kunnen.

    Salma Jaaiti is klein voor een twaalfjarige, tenger, en ze bindt haar lange bruine krullen meestal in een staart of in een knot. Soms draagt ze een hippe pet – later wil ze modevlogger worden, net als de hoofdpersoon uit haar lievelingsboek, 100% Coco. Salma’s ouders komen uit Agadir in Marokko. Zelf is ze er ook geboren, maar als baby kwam ze naar Nederland, waar ze nog een broertje en een zusje kreeg. Thuis spreekt ze Arabisch. Op zondag gaat ze naar de Koranschool.

    Ali Jaaiti en zijn vrouw Fatima El Kharachi vinden het fijn in Nederland. Ali: „Er zijn hier goede regels. Je kunt er goed leven. Beter dan in Marokko. Daar is geen werk.” Fatima, met lichtjes in haar ogen: „Ik vind het hier echt leuk. Voor mijn kinderen is er goed onderwijs.” Salma: „In Marokko kosten goede scholen veel geld.”

    Ali heeft behalve Koranschool nooit onderwijs gehad. Fatima wel: ze volgde in Marokko een opleiding tot doktersassistente. Beiden spreken slecht Nederlands, kennen de Nederlandse maatschappij niet goed en het gezinsinkomen is laag – Ali werkt als zzp-koerier voor een onderaannemer van PostNL, Fatima is fulltime moeder. In hun krappe flat in de Zaanse achterstandswijk Poelenburg heeft Salma geen eigen kamer, laat staan een eigen bureau om haar huiswerk te maken. Maar haar ouders bieden haar een veilig en liefdevol thuis en stimuleren haar om het beste uit zichzelf te halen.

    Salma wil graag havo of vwo doen, en daarna hbo-bedrijfskunde gaan studeren. Vandaar dat ze op maandag, dinsdag en donderdag na een hele dag op school tot zes uur ’s avonds extra lessen volgt, en vaak ook nog eens haar meester om extra huiswerk vraagt. Die vindt dat ze de lat voor zichzelf wel erg hoog legt. „Zorg je ook voor ontspanning?”

    Salma komt er wel, zegt de docente die haar op dinsdag en donderdag extra lessen taal en wereldoriëntatie geeft op de Brede School Academie. „Ze is creatief, eigenzinnig, scherp, met een sterk karakter.” De leider van de naschoolse huiswerkgroep in het buurthuis, waar Salma op maandag naar toe gaat, zegt hetzelfde: „Over Salma maak ik me niet zo druk.” Desondanks is het zeer de vraag of Salma de achterstand op meer kansrijke leeftijdgenoten ooit zal inhalen.

    Lage verwachtingen

    Het Nederlandse onderwijs is in naam meritocratisch, dat wil zeggen dat schoolsucces uitsluitend afhangt van de capaciteiten van leerlingen, en niet – ook – van hun sociaal-economische achtergrond. In werkelijkheid is de kansenongelijkheid in het onderwijs de laatste vijf tot tien jaar verdubbeld.

    Sociale afkomst wordt steeds bepalender voor schoolsucces, stelde de Inspectie voor het Onderwijs dit jaar opnieuw vast in haar jaarrapport De Staat van het Onderwijs. Gelijke prestaties leiden niet tot gelijke kansen, want leerlingen met laagopgeleide ouders krijgen vaker een middelbare-schooladvies onder hun capaciteiten, en zakken in het voortgezet onderwijs vaker af naar een (nog) lager opleidingsniveau, ook als ze even goed presteren als medeleerlingen met hoogopgeleide ouders.

    Neem de groep-8-kinderen die vorig jaar een eindtoetsresultaat haalden op vmbo-g/t-niveau. Van de leerlingen met laagopgeleide ouders kreeg 25 procent een lager schooladvies, en maar 9 procent een hoger advies. Bij de leerlingen met hoogopgeleide ouders lag het omgekeerd: van hen kreeg 34 procent een hoger advies, en maar 6 procent een lager advies. Er kunnen allerlei redenen zijn voor ‘onderadvisering’: lage verwachtingen bij docenten, taalachterstand, moeilijk gedrag, al dan niet voortkomend uit cultuurverschillen of aanpassingsproblemen.

    Sinds de invoering van het onderwijsvoorrangsbeleid in 1985, dat onder meer de zogeheten gewichtenregeling introduceerde (voor kinderen met een kans op onderwijsachterstand als gevolg van hun thuissituatie, krijgen scholen extra financiële middelen), is de bestrijding van kansenongelijkheid in het onderwijs verankerd in het beleid in Nederland. Toch krijgen kansarme leerlingen het moeilijker in plaats van makkelijker. Dat komt onder meer doordat de kwaliteit van het onderwijs als geheel achteruit gaat en kansarme leerlingen daarvan de dupe zijn. Zij blijven achter op de slechtste scholen, waar ook het lerarentekort het grootst is. Daarmee groeit de sociaal-economische segregatie. In het basisonderwijs vooral omdat hoogopgeleide ouders massaal kiezen voor dezelfde scholen. In het voortgezet onderwijs omdat kansarme leerlingen meestal naar vmbo- en praktijkscholen gaan, ook als ze daar op grond van hun capaciteiten niet thuishoren.

    Inge de Wolf, strategisch inspecteur bij de Inspectie van het Onderwijs en bijzonder hoogleraar Education Systems aan de Universiteit Maastricht, is „zeer bezorgd” over de groeiende kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs. „De tweedeling neemt snel toe. De ontwikkeling gaat twee kanten op: er is enerzijds een groep kinderen en ouders die goed voor zichzelf zorgt – dat zie je bijvoorbeeld aan de enorme toename van het schaduwonderwijs, zoals particuliere huiswerkinstituten – en anderzijds een groep leerlingen die steeds verder wegzakt. Een flink aantal zit op het praktijkonderwijs of op een van de laagste vmbo-niveaus, terwijl ze cognitief gezien vmbo-t of havo aan zouden kunnen. Er gaat dus veel talent verloren. Een onderzoek van de Wereldbank laat zien dat het percentage kansarme leerlingen in Nederland dat op veertienjarige leeftijd op laag niveau presteert, is toegenomen van 13,6 procent in 2000 naar 47,9 procent in 2015.”

    Maatregelen die bedoeld zijn voor kansarmen, vallen vaak in het voordeel uit van de kansrijken, zodat de kloof alleen maar groter wordt, zegt De Wolf. „Dat geldt bijvoorbeeld voor de bijstelling van het schooladvies. Als de uitslag van de Cito-eindtoets boven verwachting is, minimaal één schoolniveau hoger, kan de leerkracht sinds een aantal jaar het advies aanpassen. Helaas gebeurt dat nog te weinig, en het zijn voornamelijk de leerlingen met hoogopgeleide ouders die profiteren van deze nieuwe mogelijkheid. Want zij sturen hun kind naar toetstraining, en als dat vervolgens hoger scoort, oefenen ze druk uit op de leerkracht om het advies bij te stellen. Andere pogingen om de kansen voor achterstandskinderen te vergroten, zoals brede scholen of brede brugklassen, wekken vaak segregatie in de hand, omdat ze hoogopgeleide ouders afschrikken. Het is echt een wicked problem.”

    Komkommers en bananen

    Op een vrijdagmiddag na schooltijd zit Eef van Duuren met bezorgde blik in zijn lege lokaal. In zijn klas, groep 6a van basisschool De Willibrord in de Rosmolenwijk, een oude volksbuurt in Zaandam, zitten 35 kinderen. Lang niet allemaal ontbijten ze thuis, vandaar de komkommers en bananen achter in de klas. De meesten hebben ouders die niet in Nederland geboren zijn en meer dan de helft spreekt thuis een andere taal.

    „Roald Dahl voorlezen is hard werken voor mij”, zegt Van Duuren. „In elke zin zitten wel een paar woorden waarvoor ik een eenvoudiger synoniem moet bedenken.” Hij pakt Matilda erbij en slaat de eerste pagina op. „Overtuigd, afgrijselijk, lariekoek, onbenul, merkwaardig, gehoororgaan, oordelen – allemaal woorden die ze niet kennen.”

    Zojuist heeft hij een toets begrijpend lezen nagekeken. Met een diepe zucht: „Bijna een derde van de kinderen zit op het laagste niveau, E, een kwart scoort D.” Hij geeft heel veel extra lessen begrijpend lezen, vertelt hij. „Maar hun concentratiespanne is kort, bij sommigen niet langer dan zeven minuten. Een aantal vergeet bij toetsen steevast een deel van de vragen in te vullen, hoe vaak ik ze daar ook op wijs. Het heeft te maken met een gebrek aan intrinsieke motivatie – misschien wel het allergrootste probleem van deze leerlingen.”

    Ook Aziz Benasskar, die de huiswerklessen geeft in het buurthuis van Poelenburg, vecht tegen dat motivatiegebrek. „Als je geen rolmodellen hebt, omdat niemand in je omgeving werk heeft, is het niet zo gek dat je niet erg gemotiveerd bent om te leren. Om dan toch iets te kunnen bereiken moet je óf een speciaal talent hebben, heel goed kunnen voetballen bijvoorbeeld, óf je moet keihard knokken.” Hij probeert ook de ouders op te voeden. Als hij vertelt dat het belangrijk is om met hun kinderen naar de bibliotheek te gaan, en ze zeggen dat die te ver is, antwoordt hij: „Te ver, hoezo? Het gaat om je kind. Al was het aan de andere kant van Nederland!”

    Volgens onderwijssocioloog Paul Jungbluth, die al meer dan veertig jaar de kansenongelijkheid in het onderwijs onderzoekt, zijn kinderen van laagopgeleide ouders structureel in het nadeel. „Hun thuismilieu kan bepaalde dingen niet leveren: discussies aan de eettafel over de actualiteit of over politiek – heel belangrijk voor je vorming. Ouders die je ondersteunen en uitdagen als het gaat om de beheersing van de leerstof, en die als vanzelfsprekend buitenschoolse hulp inschakelen als dat nodig is. En als er thuis geen Nederlands wordt gesproken, zul je de taal waarschijnlijk nooit beheersen op het niveau dat verwacht wordt van hoogopgeleiden. Iets als ironie, dat is lastig in een taal waarmee je niet bent opgegroeid. Kortom: de achterstand blijft.”

    Misdienaar

    Een van de kinderen van meester Eef is Rafael Costa Ribeiro (10), een levendige jongen met een vriendelijk gezicht en een brilletje. Zijn ouders, Carla en Jorge, hebben alleen lagere school. Ze zijn eenentwintig jaar geleden uit Portugal naar Nederland gekomen en werken zich in de schoonmaak „het snot voor de ogen” (meester Eef) om hem een goede toekomst te geven. De Nederlandse taal beheersen ze slecht. Maar anders dan zijn oudere zus, die op de praktijkschool zit, kan Rafael goed leren én hij is gemotiveerd. Hij wil minister-president worden, of advocaat. (Maar eerst misdienaar. Pas geleden heeft hij zijn eerste communie gedaan.)

    Daarom is hij uitgekozen voor de Brede School Academie (BSA), waar hij, net als Salma Jaaiti, twee keer in de week na school naar toe gaat voor extra lessen in – vooral – begrijpend lezen. Hij zit op niveau B, het op een na hoogste, volgens meester Eef „voortreffelijk voor een kind dat thuis geen Nederlands spreekt”.

    Zeker vijf van Rafaels klasgenoten hadden ook graag naar de BSA gewild, maar er is maar plaats voor negentig kinderen – vijftien per groep – uit heel Zaanstad. Toelatingsvoorwaarde, naast een goede werkhouding, een bovengemiddelde intelligentie en betrokken ouders: een duidelijke taalachterstand. Het doel is de leerlingen in drie jaar klaar te stomen voor havo of vwo. In verreweg de meeste gevallen lukt dat.

    Deze middag bespreekt de BSA-klas van Rafael Ronja de roversdochter van Astrid Lindgren, een boek dat de kinderen thuis gelezen hebben. Leerkracht Dorien Laverman heeft vragen op het bord geschreven: Wat is het genre? Wie zijn de hoofdpersonages? Hoe zou je hun karakter omschrijven? Wat zijn hun motieven? Wat vind je van het plot? Welke thema’s worden er behandeld? De tienjarigen, allemaal van niet-Nederlandse afkomst, antwoorden enthousiast en to the point.

    Maarten Catney, BSA-directeur in Zaandam, is de eerste om toe te geven dat de BSA eigenlijk overbodig zou moeten zijn. „Wij repareren een tekortkoming van het reguliere onderwijs. Daar krijgen deze kinderen te weinig aandacht, onder meer vanwege de invoering van Passend Onderwijs. Die heeft ervoor gezorgd dat er te veel verschillende leerlingen bij elkaar in de klas zitten, met te veel verschillende behoeften. Bovendien is het niveau van sommige leerkrachten te laag om deze slimme en gemotiveerde kinderen goed te helpen. De meeste docenten hier hebben een academische opleiding.”

    Rafael over waarom de BSA een uitkomst is voor hem: „Van mezelf ben ik slim, maar met 35 kinderen in de klas vind ik het weleens moeilijk om me te concentreren.” Salma zat in groep 6 vaak te huilen als ze toetsen moest leren. „Soms was het alsof mijn hoofd ontplofte. Ik begreep veel woorden niet, bijvoorbeeld met aardrijkskunde. Dat is nu een van mijn lievelingsvakken.” Peter Nannings, Salma’s leerkracht van groep 8, met een vijftal kinderen op de BSA, ziet duidelijk effect: „Je merkt het aan hun werkhouding. Ze kunnen goed geconcentreerd en lang zelfstandig werken. Daardoor houden ze tijd over om naast hun gewone werk extra opdrachten te doen.”

    Pleisters plakken

    De Brede School Academie is duur: tweeduizend euro per kind per jaar, voor vier lesuren per week. Dat komt vooral door de kleine groepen, en doordat de leerkrachten relatief veel tijd krijgen om de lessen voor te bereiden.

    Het is geen landelijke voorziening. Zaanstad besloot in 2015 samen met de schoolbesturen een deel van het budget voor onderwijsachterstandenbeleid te besteden aan een BSA. In Utrecht bestond het concept al langer, en BSA-leerlingen bleken daar hard vooruit te gaan met begrijpend lezen; in groep acht zaten ze gemiddeld bij de beste 20 procent van Nederland. Dit jaar kreeg ook Schiedam een BSA en in een aantal gemeenten is het concept onder een andere naam gekopieerd.

    Zowel Inge de Wolf van de Onderwijsinspectie als onderwijssocioloog Paul Jungbluth hebben niets dan lof voor deze initiatieven, maar ze noemen het ook ‘pleisters plakken’. Jungbluth: „De BSA zou natuurlijk geïntegreerd moeten zijn in de basisscholen, zodat alle leerlingen uit deze doelgroep bereikt worden. De enige manier om echt gelijke kansen te creëren, is om de kwaliteit van het onderwijs structureel te verbeteren, zodat hoogopgeleide ouders geen reden meer hebben om bepaalde scholen te ontvluchten.”

    Eef van Duuren van de Willibrordschool: „Om te kunnen gymmen, moeten wij een kwartier met de bus. In deze buurt komt onder kinderen veel obesitas voor, dus een eigen gymzaal zou geen overbodige luxe zijn. Maar de gemeente zegt ‘nee’. Terwijl de witte school waar wij vorig jaar op werkbezoek gingen twéé gymzalen had. Bij ons gaat het kamp in groep 6 en 7 ook niet door, onder meer vanwege financiële redenen. Toen ik dat hoorde, heb ik gehuild.”

    „Schoolbestuurders zouden niet met zijn allen moeten concurreren om de bevoorrechte leerling, maar in regionaal verband samen moeten werken om kansarme leerlingen vooruit te helpen”, zegt Inge de Wolf. „Schoolbesturen kunnen van alles doen, zoals huiswerkbegeleiding organiseren in de school. Ook kunnen ze scholen met veel kansarme leerlingen aantrekkelijk maken voor hogeropgeleide ouders, door daar de klassen te verkleinen en de beste leerkrachten neer te zetten. Gemeenten kunnen daar aan meewerken door de achterstandsmiddelen gericht in te zetten.”

    Daarnaast zouden met wetgeving goede dingen gedaan kunnen worden, meent De Wolf. „Er zitten nu in ons onderwijsstelsel, anders dan in veel andere landen, geen prikkels om kansarme leerlingen extra te ondersteunen. Ik was laatst in Schotland, daar heeft de overheid een duidelijke ambitie om gelijke kansen in het onderwijs te bevorderen. Dat gebeurt onder meer met financiële prikkels, en door scholen af te rekenen op hun gelijke-kansenbeleid. In Nederland worden scholen vooral afgerekend op hun rendement en die mikken daarom steeds weer op de kansrijke leerlingen.”

    In de BSA-klas van Salma zijn de kinderen druk bezig met gekleurde stiften op grote vellen papier. Straks moeten ze, in het bijzijn van de ouders, een presentatie houden over het beroep dat ze later willen uitoefenen. Bij gebrek aan rolmodellen valt dat niet mee. Op de vellen staat ‘advocaat’, ‘chirurg’, ‘tandarts’ of ‘psycholoog’. Leerkracht Vibeke Verhulst vraagt aan een leerling die advocaat wil worden, of ze weet wat het beroep inhoudt. „Het heeft met wetten te maken”, antwoordt ze aarzelend. Verhulst zal later vertellen dat er ooit een meisje was, een gymnasiumleerling in spe, dat werkelijk geen idee had over haar toekomst. „Het enige wat ze wist, was dat ze niet in een nagelstudio wilde werken, zoals haar moeder.”

    Salma staat boven haar vel papier gebogen en schrijft in haar secure handschrift: ‘webshop’, ‘bloggen’, ‘bedrijf starten’. Dan: ‘Hbo bedrijfskunde. 4 jaar.’ Ze denkt even na, neemt een slok uit haar blauw-witte waterflesje en noteert, met een grijns op haar gezicht: ‘Moet niet, is wel handig.’