Tips: Opbouw van je les

    0
    2587

    1. Structuur van de les op bord

    Schrijf de onderwerpen en de leerdoelen van je les op het bord. (evt. met tijd erbij) Bespreek ze met de leerlingen. Tijdens de les kun je telkens verwijzen naar deze lesonderdelen, ze samenvatten en nieuwe introduceren. Als de doelstellingen duidelijk zijn, hebben de leerlingen meer houvast bij het volgen van de les. Ook worden ze meer gestimuleerd om mee te doen, omdat ze weten wat er van hen verwacht wordt en waar ze op moeten letten. Je komt er aan het eind van de les op terug.

    2. Aandacht richten en voorkennis activeren

    Betrek de leerlingen zo snel mogelijk bij de les door gebruik te maken van de volgende opdrachten:

    • Laat alle leerlingen opschrijven wat het onderwerp was van de vorige les.
    • Wie kan de meeste vragen bedenken over de leerstof van de vorige les in 3 min.? Laat ze de vragen opschrijven in hun schrift.
    • Laat ze gericht luisteren door een tekst voor te lezen die vorige les is behandeld. Bij een bepaald woord zeg je puntje puntje puntje. De leerlingen moeten raden en opschrijven om welk woord het gaat.

    Met deze opdrachten activeer je ook de voorkennis van leerlingen. Bij een nieuw onderwerp toets je hun kennis over het onderwerp door er open vragen over te stellen. Je kunt het onderwerp ook zelf introduceren door het “op de kapstok te hangen” aan kennis die ze al hebben en van daaruit verder te vertellen. Schrijf nieuwe begrippen direct op het bord.

    3. Geven van informatie

    • Uitleg van de kern: kort en bondig, belangrijkste begrippen op bord.
    • Leerlingen mogen aan het eind van de uitleg vragen stellen.
    • Als je wilt dat leerlingen aantekeningen maken, geef dan aan wat ze moeten overnemen.
    • Zichtbaar maken van de inhoud door iets voor te doen, visueel te presenteren, proeven, demonstraties, schema’s, etc. Maak het zo tastbaar mogelijk.
    • Bedenk bij elk onderdeel een checkvraag

    4. Checken of de belangrijkste vaardigheden zijn overgekomen

    • Kris, kras vragen stellen door de klas. Maak het interactief. Speel vragen en antwoorden door aan andere leerlingen. Geef nooit direct antwoord met goed/fout. Laat het antwoord even bezinken.
    • Stel een vraag en laat de leerlingen het antwoord allemaal op papier schrijven en het daarna met hun buurman/buurvrouw uitwisselen.
    • Wees gespreksleider, geen allesweter.

    5. Instructie geven op zelf en/of samen leren

    Een volledige instructie moet voldoen aan:

    • Wat moet er gedaan worden?
    • Op welke manier moeten de opdrachten aangepakt worden?
    • Waaruit bestaat de beschikbare hulp?
    • Hoeveel tijd hebben de leerlingen? (zet tijd en werk op het bord)
    • Wat gebeurt er met de uitkomsten?
    • Wat moet er gebeuren als het klaar is? (bedenk een verdiepende opdracht voor snelle leerlingen)

    Help gedurende een bepaalde periode niet en kijk alleen maar rond. Help door vragen te stellen. Zorg dat je iedere leerling tenminste één keer gezien hebt.

    6. Huiswerk

    Schrijf het huiswerk op het bord en neem voldoende tijd om het huiswerk op te geven. Heb aandacht voor de aanpak: Laat de leerlingen precies weten wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen. Check of ze de opdrachten begrijpen. Laat ze in de les al aan hun huiswerk beginnen.

    Suggestie:

    Een weekplanning geven: Elke 45 of 50 minuten een nieuwe les starten, huiswerk nakijken, nieuwe lesstof behandelen en huiswerk opgeven is misschien niet de meest effectieve indeling. Er gaat veel tijd verloren aan instructies geven en uitleggen wat de bedoeling is en het maakt de leerlingen ook afwachtend en passief.

    Maak een jaaroverzicht van onderwerpen die behandeld moeten worden en deel per week een planning uit. Deze werkwijze vergt een gedegen organisatie en tijdsinvestering vooraf, maar heeft uiteindelijk veel voordelen:

    • Het geeft zowel voor docent als leerling goed overzicht over de hele lesstof, maar ook het inzicht in de samenhang tussen de verschillende onderdelen.
    • De leerlingen weten waar ze aan toe zijn, zijn minder afwachtend en kunnen meteen aan de slag. Ze vervelden zich minder, zijn actiever en worden zelfstandiger gemaakt, zij moeten ervoor zorgen dat zij bijvoorbeeld de weekplanning afkrijgen.

    Suggesties bij het huiswerk bespreken:

    Uitgangspunten bij het bespreken van huiswerk is dat je als docent alle leerlingen betrekt bij de bespreking, dat je de leerlingen de gelegenheid geeft om te oefenen in het verwoorden van het antwoord en dat je ervoor zorgt dat het goede antwoord in het schrift komt.

    Tips:

    • Bespreek voor je het huiswerk gaat nakijken hoeveel vragen leerlingen goed denken te hebben. Laat ze dit ergens opschrijven. Na zo’n vraag zijn ze vaak geïnteresseerder in het goede antwoord. Aan het eind vraag je wie een goede voorspelling had gedaan.
    • Laat het huiswerk nakijken in groepjes van 4. Elke leerling krijgt een nummer (1 t/m4 ). Je legt uit dat je straks aan b.v. de nummers 2 de goede antwoorden vraagt. De leerlingen moeten dus zorgen dat alle leerlingen in het groepje de goede antwoorden hebben.
    • Om het niet te lang te laten duren: stel een tijdslimiet aan huiswerk nakijken.
    • Wissel de manier van huiswerkbespreking af. Nakijkboekjes mag ook best een keer.

    7. Afronding van de les

    Kom terug op de onderwerpen en leerdoelen die vanaf het begin van de les op bord staan. Enkele opdrachten die je kunt doen:

    • Schrijf of bespreek wat het belangrijkste was van deze les.
    • Wat weet je nu wel, wat je vòòr de les niet wist?
    • Wat heb je geleerd in deze les? Had je meer kunnen leren? Hoe kun je ervoor zorgen dat je meer opsteekt?
    • Wat vond je het minst leuke/moeilijkste/leukste van deze les en waarom?
    • Bespreek hoe je je huiswerk gaat aanpakken. Bij een naderend proefwerk zeker aan te raden!
    • Wat ging goed? Wat kan beter? Hoe ga je dat aanpakken?