Scholen in lockdown: ‘De tijd van wennen aan onderwijs op afstand is wel voorbij’

    0
    949

    De vraag leeft aan honderdduizenden keukentafels: hoe goed is dat afstandsonderwijs eigenlijk? De ene juf haalt alles uit de kast om kleuters te motiveren, elders wordt gemopperd over onbereikbare leraren. De verschillen zijn nog erg groot.

    ‘Zullen we het ­gewoon thuisonderwijs noemen in plaats van online-onderwijs?’, vroeg Nadia Bouras zich onlangs afgepeigerd op Twitter af. Ze wist even niet meer hoe ze het moest combineren, haar werk als historicus aan de Universiteit Leiden en moeder zijn van twee dochters uit groep 2 en 5.

    De werkverdeling bij het onderwijs op afstand van haar twee dochters taxeert ze op ‘80 procent ouders en 20 procent school’. Een kwartier ­nadat de leerkracht via het laptopscherm de dag heeft afgetrapt, is ­Bouras al in de weer om het schoolwerk van haar 8-jarige dochter na te kijken. De jongste van 5 helpt ze tussendoor met opdrachten zoals: tel hoeveel stippen er op de dobbelsteen staan. Aan haar eigen werk komt ze pas na enen toe, als de lunch achter de rug is en de kinderen aan het spelen zijn.

    Begrijp haar niet verkeerd, zegt Bouras: ‘Ik heb alle lof voor de school. Ze zijn heel toegankelijk en elk moment van de dag beschikbaar voor vragen. Het is echt niet zo van: hier heb je een kleurplaat en we zien je na de lockdown.’ Tegelijk vraagt ze zich hardop af hoe goed dat nu eigenlijk is, dat onderwijs op afstand.

    Irritaties en frustraties

    Aan honderdduizenden keuken­tafels keert die vraag regelmatig ­terug. Nu Nederland in een tweede lockdown zit en afstandsonderwijs weer de norm is, worden ouders ­opnieuw ­geconfronteerd met de ­wetens­waar-digheden van het onderwijs én met hun eigen tekortkomingen als thuisjuf of -meester. Onzekerheden, irri­taties en frustraties zijn het gevolg, naast bewondering voor de scholen die het online-onderwijs mogelijk maakten.

    Tegelijk is er de twijfel. Want hoe volwaardig is een schooldag als het kind al om 10.30 uur met zijn technisch Lego bezig is? Of als de lesstof bestaat uit het kijken van vier You­Tubefilmpjes, zonder dat iemand ­nagaat of die stof duidelijk genoeg is?

    ‘Het onderwijs op afstand leeft enorm onder ouders’, zegt directeur Lobke Vlaming van Ouders & Onderwijs, informatiepunt voor ouders van schoolgaande kinderen. ‘Juist doordat ouders er nu veel meer met hun neus bovenop zitten, vragen ze zich dingen af over het onderwijs. Al vinden ze het vervelend om tegenover school kritisch te zijn. Ze zien ook wel in dat scholen keihard werken om dit mogelijk te maken.’

    Een rondgang onder collega’s van de Volkskrant-redactie levert hetzelfde wisselende beeld op dat Vlaming ­destilleert uit gesprekken met ouders. De ene juf haalt alles uit de kast om haar kleuters digitaal te motiveren, bijvoorbeeld door ze verkleed een beroep te laten uitbeelden. Maar er wordt ook gemopperd, over matig bereikbare leerkrachten en eenrichtingsverkeer als het om de uitleg van de stof gaat. ‘Kut’, luidt het korte antwoord van de zoon uit havo 4, als zijn vader hem vraagt hoe hij het afstandsonderwijs ervaart. Andere kinderen, die zich thuis beter kunnen concentreren, bloeien er juist door op.

    Uitersten

    ‘De uitersten zijn groot’, merkt ook Vlaming. ‘Aan de ene kant heb je ­situaties als: juf mailt huiswerk­pakket, veel plezier ermee. Maar we horen ook dat het afstandsonderwijs soms een kopie van het normale ­onderwijs is. In het voortgezet onderwijs krijgen sommige kinderen acht, negen uur per dag les. Dat slaat misschien weer door de andere kant op.’

    De eerste lockdown dwong scholen in korte tijd een tot dan ondenkbare vorm van onderwijs op te tuigen. Ze mochten helemaal zelf weten hoe ze het afstandsonderwijs inrichtten. Normen of regels ontbraken, er werd ook niet op toegezien of scholen de wettelijke onderwijstijd haalden. ‘Dat is voor veel scholen in deze omstandigheden ook bijna niet te doen’, licht het ministerie van Onderwijs toe.

    Dat scholen zelf mogen weten hoe ze hun lesdagen invullen, is volgens de Onderwijsinspectie typerend voor de vrijheid die het Nederlandse onderwijs geniet. Toch is dat vreemd, zegt Omar Ramadan, bestuursvoorzitter van de 28 Sophia-basisscholen in de Duin- en Bollenstreek. Op 12 januari publiceerde de Volkskrant een opinieartikel van zijn hand waarin hij het ontbreken van normen bij afstands­onderwijs aan de kaak stelde.

    Juist omdat afstandsonderwijs volgens hem een ‘mager alternatief’ is voor het onderwijs op school, zouden scholen erin moeten investeren. ‘Hoe langer de lockdown duurt, hoe kleiner de verschillen tussen fysiek en online-onderwijs mogen zijn.’

    De Onderwijsinspectie is ook benieuwd en heeft vorige maand op zo’n zeventig scholen meegekeken met de onlinelessen. De uitkomsten worden gebruikt voor de jaarlijkse Staat van het Onderwijs, die op 14 april verschijnt: de eerste meting na een jaar onderwijs in coronatijd. ‘Afstands­onderwijs zal daarin zeker een grote rol spelen’, zegt een woordvoerder.

    Onderzoekers van Cito stelden eerder al vast dat leerlingen in de groepen 4 tot en met 7 in 2020 gemiddeld lager scoorden dan in eerdere jaren (zonder afstandsonderwijs). Zonder ‘de enorme inzet van leerkrachten en ouders om het afstandsonderwijs tot een succes te maken’ was de teruggang in leergroei zelfs ‘onvermijdelijk groter geweest’.

    Knoop doorhakken

    Ramadan kreeg instemmende reacties vanuit het onderwijs op zijn opiniestuk. Een paar vakgenoten ­waren juist wat ‘stekelig’, vertelt hij. ‘We doen heel erg ons best, het personeel heeft het moeilijk en zwaar. En dan ga jij roepen: het niveau moet omhoog’, vonden ze.

    Hij heeft begrip voor alle ongemakken, uitval en onzekerheden waarmee scholen worstelen. Ook ‘zijn’ scholen hadden tijd nodig om het afstands­onderwijs uit te vinden. Toch werd na twee maanden van wennen en uitproberen de knoop doorgehakt. ‘Toen hebben we gezegd: we gaan bepaalde normen hanteren, zodat de leerkracht monitort wat elke leerling heeft op­gepikt. Nu wordt er vanaf groep 3 ­gemiddeld vier uur per dag les ­gegeven. Want echt, de tijd van wennen is voor scholen wel voorbij.’

    In zijn artikel schetst Ramadan een paar voorwaarden voor goed afstandsonderwijs. Zoals: een duidelijke weekplanning en dagtaken, zodat leerlingen én ouders weten waar ze aan toe zijn. Nieuwe lesstof en niet alleen herhalingen. Ook zouden scholen de jaarplanning zo veel mogelijk moeten volgen, om de achterstanden voor leerlingen – een bron van zorg in en buiten het onderwijs – te beperken. ‘Dat betekent niet alleen rekenen en taal, maar ook vakken over natuur, burgerschap en geschiedenis.’

    Leerkrachten zouden volgens hem de hele dag in de weer moeten zijn met de leerlingen. ‘Leerlingen hoeven niet de hele tijd via een scherm naar de leerkracht te luisteren, juist niet. Maar er moet verspreid over de dag wel contact zijn. Het is prima om af en toe een YouTubefilmpje te gebruiken, maar geef er wel uitleg bij.’