‘Scholen doen te weinig aan klimaatverandering’

    0
    337

    Volgens hoogleraar Arjen Wals bereiden scholen hun leerlingen onvoldoende voor op klimaatverandering en de omslag naar duurzame energie. Hoe leer je de jeugd van tegenwoordig wél met deze uitdagingen om te gaan?

    Terwijl het juist de volgende generatie is die de gevolgen van klimaatverandering duidelijk gaat voelen, slaagt het onderwijs er onvoldoende in om leerlingen (van kleuter tot en met student) op een zinvolle manier te betrekken bij duurzaamheidsvraagstukken, betoogt Wals.

    Hij is hoogleraar transformatief leren voor sociaal-ecologische duurzaamheid aan Wageningen University & Research (WUR) en doet al meer dan 25 jaar onderzoek naar natuur-, milieu- en duurzaamheidseducatie.

    Hoe het wel moet?

    “Laat kinderen meer actief en handelingsgericht leren”, legt hij in een telefonisch interview uit. “Zoek bijvoorbeeld samen uit hoe je groene schoolpleinen kunt aanleggen of zonnepanelen op het dak installeert.”

    Je stelt dat het onderwijs te veel gericht is op economie en groei, en te weinig op het beschermen van de aarde. Hoe zit dat?

    “‘Het onderwijs voldoet niet aan datgene waar de economie om vraagt’, stelde een topambtenaar van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat laatst. Ik hoor dat wel vaker. Maar hoe vaak vragen we ons af of het onderwijs wel voldoet aan datgene waar de aarde om vraagt?

    Scholen dreigen een verlengstuk te worden van de economie, ze leiden jongeren op tot volwassenen die gemakkelijk van baan dienen te veranderen, en zich steeds moeten bewijzen en onderscheiden van hun collega’s en concurrenten.

    Dit is een fixatie op continue persoonlijke groei en ontwikkeling. Maar als we ons zo sterk richten op groei en ontwikkeling, leidt dat tot een planeet die niet meer duurzaam is. Denk aan het verdwijnen van de biodiversiteit, klimaatverandering en de toenemende sociale ongelijkheid in de wereld. We lopen tegen de ecologische en ethische grenzen aan.”

    Hoe zit dat met de energietransitie?
    “Jongeren vragen zich af: worden we wel goed voorbereid op deze genoemde problemen? Dat geldt ook voor een onderwerp als de energietransitie, die nauw verbonden is aan klimaatverandering. Met de omslag van fossiele naar schone energiebronnen is er nieuwe kennis en techniek nodig van zonnedaken, warmtepompen en lokale energiecoöperaties. Dus moet je als onderwijs leerlingen uitdagen om kritische vragen te stellen over wat nu echt duurzaam is.

    Je dient jongeren in staat te stellen om het zelf te onderzoeken. Neem bijvoorbeeld een warmtepomp, wat levert zo’n installatie netto eigenlijk aan duurzaamheidswinst op? Een onderwerp als duurzame energie is ingewikkeld, er is vaak geen eenduidig antwoord. Dus moet je het van diverse kanten belichten en in de context plaatsen.

    Daarnaast heeft het te maken met bepaalde waarden en vragen als: zorg je goed voor de wereld en diegenen die na jou komen? Dat zijn helaas geen vanzelfsprekendheden meer in de westerse wereld.”

    Ligt dat aan het westerse systeem, of zit het eigenbelang ingebakken bij de mensheid?
    “Bioloog Frans de Waal heeft onderzoek gedaan waaruit blijkt dat mensen het natuurlijke vermogen hebben om zich te bekommeren om anderen en de aarde. Hij constateerde dat solidariteit, compassie en empathie van nature aanwezig zijn in de mensheid.

    Maar het westerse denken staat deze waarden in de weg. Dat zien we ook in ons onderwijs: daar wordt veel gemeten en gerankt. Het cognitieve wordt steeds benadrukt en we leren vooral de wereld te reduceren tot hokjes, terwijl een duurzame wereld van ons vraagt dat we relaties zien, verbanden in het geheel.”

    Over welke leerlingen hebben we het eigenlijk?
    “Je kunt al vanaf vier jaar beginnen met duurzaamheid in het basisonderwijs. Jonge kinderen zijn vaak nog beter in staat om nieuwe inzichten te ontdekken dan oudere leerlingen, omdat ze de wereld nog ervaren zoals die zich aan hen ontplooit. En niet zoals die gestructureerd is door wat ik dan maar even voor het gemak het westerse denken noem.

    Voor alle leeftijden geldt: laat ze actief leren. Stel vragen als: hoe kom je naar school, met de auto of de fiets? En zoek bijvoorbeeld samen uit hoe je groene schoolpleinen kunt aanleggen of hoe je zonnepanelen op het dak installeert.

    Bij dat laatste kun je direct een adviseur inhuren om alles te regelen, maar als je kinderen meeneemt in het denkproces, leer je ze om creatieve oplossingen te zoeken en te kijken naar hoe het nog beter kan.

    Een mooi voorbeeld is het Da Vinci College in Leiden, waar de leerlingen een business case uitwerkten voor zonnepanelen op het dak, en zelf concludeerden dat dit een verantwoorde investering was.

    Ook is de relatie met de directe leefomgeving cruciaal in de lessen. Hoe betrek je de fietsenmaker uit de buurt of de plaatselijke energiecoöperatie bij je lessen? Door de omgeving erbij te betrekken, verklein je de kloof tussen het denken over duurzaamheid en het in de praktijk brengen ervan.

    De school heeft bovendien een voorbeeldfunctie. Je kunt duurzame energie opnemen in je lespakket, maar als je er als onderwijsinstelling zelf niets aan doet, waar heb je het dan over?”

    Welke onderwijsinstelling is toonaangevend volgens jou?
    “Er gebeurt gelukkig steeds meer. Je hebt bijvoorbeeld de duurzame pabo, een netwerk van pabo’s en basisscholen. Je hebt Eco-Schools, een keurmerk waar zo’n duizend scholen in Nederland bij zijn aangesloten.

    Het complete curriculum wordt momenteel herzien, waardoor duurzaamheid één van de drie pijlers wordt. Dat is mede te danken aan de bijna veertig jongerenorganisaties die een motie over meer aandacht voor duurzaamheid in het onderwijs door de Tweede Kamer kregen. Wat trouwens ook opvalt: de werkstukken van middelbare scholieren gaan steeds vaker over onderwerpen die gerelateerd zijn aan duurzaamheid en klimaatverandering.”

    Is het vak economie, veelal gericht op economische groei niet wat gedateerd?
    “Er moet niet alleen aandacht zijn voor groei en winst, maar ook voor het psychisch welbevinden, de kringloop- en deeleconomie, en de ecologische voetafdruk die samenhangt met een eerlijke prijs voor een product of dienst. Als je dit soort zaken niet in het economieonderwijs meeneemt, ga je niet met je tijd mee.

    Verder dien je kinderen kritische vragen te leren stellen. Neem bijvoorbeeld een bedrijf als Coca-Cola, dat ‘plasticflessen’ deels van plantaardig materiaal laat maken. Is het dan bezig met maatschappelijk verantwoord ondernemen of is het een marketingtruc? Laat leerlingen uitzoeken hoe duurzaam zo’n fles daadwerkelijk is en bediscussiëren of de naam plant bottle de juiste is, of dat er betere namen te bedenken zijn.”

    Hoe krijgen we de volgende generatie in het gareel voor de energietransitie?
    “We moeten af van het idee dat we jongeren ‘in het gareel moeten krijgen’, om die term maar even aan te houden. We moeten hen juist leren relaties te zien en kritisch na te denken, zodat ze realiseren dat het leven meer is dan alleen consumeren, hard werken en achter een scherm zitten.

    Het gaat niet zozeer om jongeren te moraliseren, dan wel om ze actief te betrekken en na te laten denken over vragen die raken aan onze zingeving. Dat klinkt misschien een beetje zweverig, maar zo is het wel.

    Waar willen we aan bijdragen? Hoe willen we leven? In wat voor fysieke omgeving willen we ons bevinden?

    Wat willen we nalaten aan onze kinderen?

    Die betere wereld hoeft trouwens helemaal geen stap terug te zijn. Dat is een misvatting: het kan leiden tot meer betekenis, nieuwe energie, creativiteit, innovatie en een andere economie. We moeten af van het ‘gloom and doom’ denken. Pessimistisch denken is dodelijk.”

    Als er morgen iets in het onderwijs dient te veranderen, wat is dat dan?
    “Neem de lokale omgeving als vertrekpunt en zorg dat scholen niet alleen het nationale beleid opvolgen. Dat haalt de creativiteit uit het onderwijs. En het weerhoudt leerlingen van de vrijheid om zelf dingen te onderzoeken.

    Ik zie langzamerhand wel een lichte kanteling plaatsvinden. Bij de WUR signaleer ik dat studenten vaker studies volgen vanuit een bepaalde betrokkenheid en passie en zich minder dan vroeger zorgen maken over de vraag of dat wel een baan oplevert.

    Ik werk zo’n 26 jaar aan natuur-, milieu- en duurzaamheidseducatie. De afgelopen 25 jaar probeerde ik met dit onderwijs bij scholen binnen te komen, nu is dat andersom. Ze willen het zelf.

    Steeds meer scholen geven zelf betekenis en invulling aan duurzaamheid. Daar word ik blij van.”