Een schrift is soms beter dan een laptop

    0
    906

    Scholen moeten veel beter nadenken wat ze met digitalisering willen bereiken en hoe dat in hun onderwijs past. „Er wordt veel ondoordacht gedigitaliseerd.”

    In een zaaltje in de enorme evenementenlocatie van Londen zitten tientallen Nederlandse docenten, schoolleiders en ict-medewerkers te popelen om de beursvloer op te gaan. Ze zijn hier voor Bett, de grootste onderwijstechnologiebeurs van Europa. Het is januari: om corona maakt niemand zich nog druk, afstandsonderwijs klinkt voor de meeste aanwezigen als toekomstmuziek.

    De reis is georganiseerd door stichting Lucas Onderwijs, een Haags schoolbestuur met 79 scholen. Technologieën veranderen de samenleving in hoog tempo, vertelt beleidsmedewerker Raymond Trippe vlak voor de docenten de beursvloer betreden. De trend van nu, vertelt hij, is artificiële intelligentie: computers die slimmer worden dan docenten en precies weten hoe ze leerlingen moeten laten leren. Hij waarschuwt: „Voordat hebberigheid de overhand krijgt en je allemaal gave robotjes aanschaft: bedenk eerst wat de visie van je school is. Of er deskundigheid voor de technologie is en je onderwijs erop aansluit. Pas dan is een product het overwegen waard.”

    Want daar gaat het vaak mis. „Er wordt veel ondoordacht gedigitaliseerd door scholen”, zegt Niels Kerssens, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet naar technologie in het onderwijs. „Docenten hebben weinig tijd en er is weinig expertise.” Scholen gebruiken technologie bijvoorbeeld als vervanging van wat ze al kennen: een Chromebook als digitaal boek, een digibord als krijtbord met een scherm, in plaats van dat ze de mogelijkheden inzetten voor beter onderwijs. Of ze schaffen een product aan omdat het ‘effectiviteit’ (leerwinst voor de leerling) of ‘efficiëntie’ (minder werkdruk voor de docent) belooft. Maar ze denken te weinig na over de nadelen: bedreiging van privacy bijvoorbeeld, of verlies van het contact tussen leraar en leerling.

    Door de coronacrisis heeft digitalisering in het onderwijs wereldwijd een vlucht genomen – zowel in het gebruik van laptops en digiborden, als digitale lesmethodes en videoplatformen. Maar doordachter is de aanschaf van technologie niet geworden, zegt Kerssens. „Scholen waren alleen bezig met de vraag: hoe kunnen we ons onderwijs zo snel mogelijk hervatten? Het ging weinig over waarden: wat vind je als school belangrijk? Nu scholen in een wat rustiger vaarwater zitten, zouden ze daarop moeten reflecteren.”

    De Groninger Buitenschool in Haren is een van de scholen waar corona de digitalisering in een stroomversnelling bracht. Op deze basisschool voor speciaal onderwijs in Haren zitten zo’n vijftig leerlingen met een chronische ziekte. Al begin maart bleven sommige leerlingen thuis, omdat ze tot een risicogroep behoren.

    Op een hete maandagochtend in juni is Mark nog steeds thuis, vanwege zijn kwetsbare zusje. Hij volgt de les via Microsoft Teams. De overige negen leerlingen luisteren in het lokaal ademloos naar zijn belevenissen in het weekend. Iets met een ontplofte papierversnipperaar en meerijden met de ambulance – verder niks ernstigs. „Ik ga nu anderen vragen hoe hun weekend was”, zegt juf Vera na zijn stoere verhaal. „Dan mag jij je microfoon weer even uitzetten. Als je iets wil zeggen, moet je je hand opsteken.”

    „Afstandsonderwijs stond al langer op onze wensenlijst”, fluistert ict-coördinator Rudy van der Meer achterin het klaslokaal. Wat hem betreft gaat de school er ook na corona mee door. Dat past bij de visie van de school, zegt hij: leerlingen bekender maken met technologie en hun zelfstandigheid ermee vergroten. En het is ook nog eens praktisch: het komt geregeld voor dat kinderen langdurig thuiszitten na een ziekenhuisbehandeling. Bovendien moeten ze soms van ver komen, omdat de school heel Groningen en Drenthe bedient.

    Op de naastgelegen Prins Johan Friso Mytylschool, voor leerlingen met een fysieke of meervoudige beperking, is onlangs een iPad-project gestart. „Sommige leerlingen hebben moeite met typen of schrijven, maar inspreken of swipen lukt wel.”

    Lessen aantrekkelijker

    De voordelen van technologie zijn talrijk: het maakt lessen aantrekkelijker, interactief en efficiënter. Leraren kunnen met digitaal toetsen precies zien welke opdrachten leerlingen moeilijk vinden. Maar scholen moeten beter nadenken over ethische vragen als ze technologie aanschaffen, stelde onderwijs-ict-organisatie Kennisnet begin dit jaar. Vinden ze het bijvoorbeeld wenselijk dat leerlingen dag en nacht kunnen opzoeken of ze een nieuw cijfer hebben? En wil je dat alles wat leerlingen doen meetelt, omdat het systeem nooit iets vergeet?

    Neem gepersonaliseerd leren, een trend in het onderwijs die deels is aangewakkerd door techbedrijven. Daarbij krijgt ieder kind les op zijn eigen niveau, vaak doordat software de leerstof op het kind aanpast (‘adaptief leren’). Het idee is dat daarmee lukt wat in een klassikale les met dertig leerlingen nooit helemaal slaagt: iedereen haalt het maximale uit zichzelf.

    Daar is niets mis mee als een school de consequenties maar overdenkt, zegt José van Dijck, hoogleraar digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht. „Hebben docenten zeggenschap over het algoritme dat bepaalt welke sommen een kind krijgt? Weten zij op welk didactisch principe dat is gestoeld?” Een ander dilemma is dat uit eerste onderzoeken blijkt dat de best presterende leerlingen het meeste baat hebben bij gepersonaliseerd leren. Dat betekent dat de software de verschillen tussen leerlingen kan vergroten.

    Kritisch blijven

    Basisschool de Vuurvlinder in Den Haag begon zes jaar geleden met Snappet: adaptieve software waar inmiddels een kleine 3.000 van de 6.700 basisscholen mee werken. Omdat de school zo gemengd is – er zitten kinderen op van statushouders, expats, ambassadepersoneel en ouders uit het voormalige Oostblok – is het fijn gepersonaliseerd te kunnen werken, zegt directeur Rob Rosier.

    Maar voor het oefenen van taal gebruikt de school Snappet niet meer. „Veel kinderen spreken geen Nederlands. We zagen dat het systeem dan niet werkt; dat is afhankelijk van je taalbeheersing. Digitaal gaan ze zitten gokken en lezen ze sneller over dingen heen.” De Cito-resultaten voor taal namen af. Voor rekenen werkt het systeem voor zijn school wél goed, zegt hij. „Je moet kritisch blijven op het resultaat”, vindt Rosier.

    Dartborden voor wiskunde

    Hoe moeilijk het is om als school of docent een geschikte technologie te kiezen, blijkt als de Nederlandse leraren de gigantische beursvloer van de Londense Bett betreden. Er zijn vier hallen vol leergames, robots, clouddiensten, administratiesystemen en digiborden, de ene stand nog kleuriger dan de andere. Producten beloven meer leerplezier en minder werkdruk, zelfs een beter ‘leerbewustzijn’. Er zijn dartborden om wiskunde te leren, informatief behang, kleutertafels met touchscreen. Met goodiebags proberen producenten de 34.000 bezoekers te verleiden.

    De Nederlandse leraren voelen zich overweldigd. „Ik ben gekomen om inspiratie op te doen”, zegt een kleuterjuf. „Er is nog niet zo veel techniek in de klas en je wilt het leuker maken voor die kleintjes, zeker voor kinderen die niet zoveel met rekenen en taal hebben.” Drie leraressen van een montessorischool hopen oplossingen te vinden voor de hoge werkdruk. En ze willen met de tijd mee. Maar dan moeten ze wel tijd krijgen om eraan te wennen: een collega van 62 haakte af door de komst van het digibord.

    Het is van belang dat technologie aan de vraag van de school voldoet en op de digitale infrastructuur aansluit, weet een ict-coördinator van een basisschoolbestuur. „We hebben meegemaakt dat een school iPads had gekocht die vervolgens een jaar in de kast lagen. Hun methodes bleken er niet op te werken.”

    Prijsverhogingen

    Een ander risico is een ‘lock-in’: een school raakt dan afhankelijk van een bedrijf. Die afhankelijkheid kan ervoor zorgen dat ze alleen nog maar producten van dat bedrijf kunnen aanschaffen, omdat andere methodes er niet op werken. Of bedrijven verhogen de prijs ineens. Dat gebeurde onlangs bij administratiesysteem Magister: eigenaar Iddink verhoogde het licentietarief met maar liefst 30 procent.

    „Aanbieders koppelen van alles aan elkaar, methodes aan tablets bijvoorbeeld. Daar ontkom je niet zomaar aan”, zegt Theo Douma, bestuurder van het Groningse O2G2, waar de Groninger Buitenschool onder valt. Het bestuur controleert daarom of er geen lock-ins zijn voordat de school een product aanschaft. Maar met 34 scholen glipt er soms iets tussendoor: „Dan komt een tool via een enthousiaste leraar toch de school binnen.”

    Om beter opgewassen te zijn tegen dat soort risico’s, werd eind 2017 inkoopcoöperatie Sivon opgericht, waarin inmiddels bijna een derde van de basisschoolbesturen en ruim de helft van de middelbare schoolbesturen zijn verenigd. Nadat scholen door corona verder moesten digitaliseren, hebben zich nog zo’n tachtig besturen aangesloten. De coöperatie onderhandelt bijvoorbeeld met distributeur Iddink over de tariefsverhoging van Magister.

    Duur hoeft technologie niet te zijn voor scholen. Een Chromebook kost een paar honderd euro. Daarop zijn automatisch en gratis Google-apps geïnstalleerd zoals browser Chrome en tekstverwerker Docs. Ook het onderwijspakket G Suite for Education is gratis.

    Jonge klanten

    Maar er zit wel degelijk een verdienmodel achter, zegt hoogleraar Van Dijck. „Met goedkope onderwijsproducten werft Google jonge mensen al vroeg als klant.” En over de bescherming van privacy weten we weinig, zegt ze. „Natuurlijk mag Google de data die binnenkomen via die apps niet doorverkopen, en ik denk ook niet dat ze dat doen. Maar een Google ID, waarmee je inlogt, is persoonlijk. Als Google die data koppelt aan je privé-account, kunnen publiek en privaat wel heel erg door elkaar gaan lopen.”

    Afspraken die Nederlandse onderwijsuitgevers maakten over het gebruik van leerlingendata, werden door Google, Microsoft en Apple niet ondertekend. Maar volgens Google is er niet zoveel aan de hand. „Het Europees Comité voor gegevensbescherming heeft geoordeeld dat Google zich aan de dataregels houdt”, zegt Grainne Rietveld, namens Google verantwoordelijk voor de onderwijstak in Noord-Europa. De data blijven eigendom van de school en het school- en privéaccount worden niet gekoppeld, aldus het bedrijf. Een woordvoerder zegt dat het geen verdienmodel is om jonge mensen aan producten te binden: Google verdient geld aan de verkoop van Chromebooks, er is een betaalde versie van het onderwijspakket. En: „We denken dat het goed is de toekomstige arbeidsmarkt al vroeg digitale vaardigheden bij te brengen.”

    Leerlingen zijn intussen al aan digitalisering gewend. De klas van juf Vera op de Groninger Buitenschool doet een quiz via multiple-choiceplatform Kahoot. Leerling Ruben leest de vraag voor: Hoeveel muggen zijn er in Nederland? Onder een vrolijk deuntje vult de klas het antwoord in op hun telefoon, laptop of tablet. Als de gong klinkt, toont Kahoot de resultaten. Eén leerling heeft het goed. Maar die zit niet in de klas.

    Het is even stil en dan roept juf Vera: „Mark heeft het goed!” En inderdaad: rechtsonder op het digibord gaan twee juichende armpjes de lucht in. „Lekker Mark!”, zegt Ruben, en hij steekt zijn duim omhoog voor de webcam.