25 Tips om in de klas samen te werken

    0
    2724

    Twee weten meer dan één. Samen kunnen leerlingen problemen oplossen waar ze tegenaan lopen. Samenwerken draagt bij aan een positief groepsgevoel, een positieve omgang met elkaar en een betere zelfkennis.  

    Samenwerken in de klas. Hoe organiseer je dat als docent? Het vergt een goede voorbereiding en klassenmangement. Het is tevens een goede manier om in de klas te differentiëren.

    25 Tips om in de klas samen te werken

    Maak gebruik van opdrachtkaarten

    1.Zorg voor duidelijke opdrachten. Je kunt daarvoor opdrachtkaarten en ideekaarten gebruiken.

    2. Op een ideekaart geef je een voorbeeld, je kunt het voorbeeld helemaal uitwerken, maar je kunt ook alleen een aanzet geven.

    3. De opdracht moet uitdagend zijn en vooral niet te gemakkelijk.

    4. Op een opdrachtkaart hoeven soms slechts enkele werkwoorden te staan: lezen, kijken, opschrijven, schetsen, discussiëren of samenvatten.

    Introductie voor de klas en instructie

    5. Door een goede instructie krijgen leerlingen een beeld van de opdracht.

    6. Praat niet over een opdracht, maar doe hem voor met een paar leerlingen.

    7. Opdrachten gaan leven als je ze een aantal malen herhaalt waarbij je variatie kunt aanbrengen.

    8. Ben zelf een enthousiast voorbeeld.

    9. Kom met uitdagende materialen (krantenartikelen, filmpjes op YouTube, foto’s) en stel er open vragen over.

    10. Nodig leerlingen uit om zelf met materialen te komen voor een volgende opdracht.

    Organisatie

    11. Laat leerlingen die gelijksoortige activiteiten doen zoveel mogelijk bij elkaar zitten.

    12. Geef leerlingen binnen de groepjes een rol. (voorzitter, notulist, tijdsbewaker. Geef ook aan wat er van hen verwacht wordt en wat hun taak is.)

    13. Laat leerlingen bij groepswerk in twee- of drietallen werken. Die zijn vaak productiever dan grotere groepen.

    14. Zet op de opdrachtkaart met hoeveel leerlingen de opdracht gedaan moet worden.

    15. Zorg dat leerlingen keuzemogelijkheden hebben, geef aan wat verplicht is en waar ze keuze in hebben. Besteed daar aandacht aan tijdens de introductie.

    16. Zorg dat leerlingen binnen de opdracht ruimte hebben om zelf te ontwerpen, geef binnen de taak aan wat verplicht is.

    17. Daag leerlingen uit hun eigen opdracht te bedenken. De voorwaarde moet wel zijn dat ze met een goed voorstel komen.

    Begeleiding

    18. Denk aan de aanrommelfase: het is soms nodig om even op gang komen met een opdracht. Voor kladjes en probeersels moet ruimte en materiaal zijn.

    19. Maar loopt een leerling of een groepje vast, ga dan even bij ze zitten en help ze op weg, stel de juiste vragen.

    20. Wijs de groepjes op het gegeven dat ze aan het eind moeten presenteren, bespreek vooraf hoe ze dat doen of maak hoe ze dat zullen doen tot onderdeel van de opdracht.

    21. Evalueer een aantal malen kort met de hele groep hoe het gaat en spreek af hoe leerlingen elkaar gaan helpen. 

    Pleeg de volgende interventies tijdens het werken in groepen

    22. Rondgang maken. Vragen stellen en op weg helpen. Onderlinge hulp organiseren. (Wie kan wie helpen?)

    23. Alle werk kort stil leggen: een gezamenlijke vraag of probleem doornemen.

    24. Een instructiegroepje formeren van enkele leerlingen die specifieke hulp nodig hebben en deze vijf minuten instrueren.

    25. Of: ga op een rustige plek zitten: kijken en luisteren, letten op individuele leerlingen, notities maken en uitspraken noteren.