DE TIJD
het verleden
tijdsindeling
prehistorie
<

het verleden
Het verleden  van de mens (enkele miljoenen jaren)  wordt verdeeld  in twee tijdvakken: de prehistorie (voorgeschiedenis) en de historie (geschiedenis). In de prehistorie kon men niet lezen of schrijven want er was geen schrift. We spreken dan van prehistorische mensen  (bijv., Cro-Magnon, Neanderthaler, Homo Sapiens).  De geschiedenis van mensen begint als er niet alleen voorwerpen maar ook geschreven berichten overgebleven zijn. Als zij dus  kunnen schrijven of als anderen in de tijd zelf over hen hebben geschreven
<<<

tijdsindeling 
De geschiedenis heeft verschillende tijdrekeningen (kalenders). De belangrijkste zijn die van de Joden, de Christenen en de Islamieten. Deze drie kalenders beginnen bij een belangrijke gebeurtenis. De Schepping voor de Joden, de geboorte van Jezus voor de Christenen en voor de Islamieten de vlucht van Mohammed.
In de Christelijke jaartelling is iets voor of na (de geboorte van) Christus gebeurd. De Romeinse keizer Augustus regeerde van 27 voor Christus tot 14 na Christus. Zijn regering duurde dus 41 jaar.
We verdelen de Europese geschiedenis  in de Oudheid (tot 476) , de Middeleeuwen  (tot 1453), de Nieuwe Geschiedenis  (tot 1789) en de  Nieuwste Geschiedenis (vanaf 1789)
<<<

de prehistorie
gebruiksvoorwerpen van steen of van metaal zijn gemaakt.  De Steentijd is weer verdeeld in een Oude en een Jonge Steentijd. Het Metaaltijdperk bestaat uit de koper-, de brons- en de ijzertijd.
Landbouw en veeteelt zijn de belangrijkste uitvindingen van de mens. Hij was nu minder afhankelijk van de natuur. Van voedselverzamelaar werd hij voedselvoortbrenger. De jager was ook boer geworden. Andere belangrijke uitvindingen waren het maken van vuur (voedselbereiding, warmte en veiligheid), pottenbakken (voedsel bewaren), spinnen en weven (kleren), het wiel (vervoer) en het schrift.
Nooit  zullen we weten wat de prehistorische mens dacht en geloofde. Maar de enorme stenen overblijfselen (hunebedden, dolmen, menhirs) en de grotschilderingen geven ons wel een belangrijke aanwijzing over  zijn zorg voor de doden en zijn jachtgebruiken.
<<<

 

  MESOPOTAMIE EN EGYPTE
Rivierbeschavingen
Cultuur
<

Rivierbeschavingen
In het Nabije Oosten ontstonden ca. 3000 v.chr. rivierbeschavingen. Aan de vruchtbare oevers van de Egyptische Nijl en de Eufraat en  Tigris in Mesopotamië [[K]] vestigden zich landbouwers, die zich later aaneensloten tot stammen. Dergelijke rivierbeschavingen vindt men ook bij de Hoang Ho in China en de Indus in Voor Indië.
De afhankelijkheid van de rivier, de bevloeiïngswerkzaamheden, en de verdediging tegen de gezamenlijke vijand, maakten samenwerking noodzakelijk. Die samenwerking had nog meer succes met een goed bestuur.
De boeren produceerden zoveel dat zij ook anderen van eten  konden voorzien. Zo kwam er een arbeidsverdeling : de boeren zorgden voor het voedsel, de handwerkers voor allerlei gereedschappen, de ambtenaren voor het bestuur, de soldaten voor de veiligheid en de priesters voor het zielenheil. De vorst zorgde voor allen. De niet-landbouwers gingen bij elkaar wonen. Zo ontstonden steden.
Dikwijls stelden de stammen een  leider als koning aan. Soms kreeg in de onderlinge stammenoorlogen één koning alle macht in handen. Eén koninkrijk omvatte dan het gehele rivierdal.
Met perioden van grote bloei en diep verval heeft het Egyptische rijk meer dan 2500 jaar bestaan. Het Tweestromenland (Mesopotamië) werd achtereenvolgens door Soemeriërs, Babyloniërs Assyriërs en tenslotte door Perzen beheerst. Het Perzische rijk - het omvatte ook Egypte, Fenicië en Israël - strekte zich uit van de Nijl tot aan de Indus. Het eerste grote wereldrijk [[K]]
<<<

cultuur
De koning was oppermachtig. Hij beschikte over leven en dood, was opperbevelhebber, opperrechter en opperpriester. Soms, zoals de farao van Egypte, werd hij zelfs beschouwd als een god. Zijn grote macht is nu nog te zien aan de enorme bouwwerken, die hij voor zich liet oprichten. Een leger van ambtenaren, soldaten en priesters bestuurde uit naam van de koning het rijk, zorgden voor orde, rust, en veiligheid en legde de wil der goden uit.
De meeste volken hadden veel goden (polytheïsme). Vaak vereerden zij ook dieren. Alleen de Joden hadden één god (monotheïsme). Omdat de godsdienst zo belangrijk was speelden de priesters een voorname rol in de samenleving. De uitgebreide Egyptische dodencultus wijst op het geloof in een leven na de dood. Niet alleen door balseming probeerde men het lichaam zo ongeschonden mogelijk te houden (mummies), ook aan het graf werd de uiterste zorg besteed. Meegegeven voedsel en gebruiksvoorwerpen vergemakkelijkten de reis door het dodenrijk.
In het Nabije Oosten kwamen verschillende schriftvormen tot ontwikkeling. De Egyptenaren gebruikten het hiërogliefenschrift dat  evenals het Soemerische spijkerschrift een beeldschrift is. Maar de Feniciërs ontwikkelden een klankschrift waaruit ons alfabet is ontstaan.
Naast de paleizen en tempeltorens in het Eufraat-Tigrisgebied zijn vooral de Egyptische tempels, obelisken en piramiden indrukwekkend.
Op wetenschappelijk gebied hield men zich bezig met wiskunde en sterrenkunde. Een vrij nauwkeurige kalender hielp de boeren de zaai- en oogsttijd juist te plannen.
<<<