DE  STAAT
de grondwet
monarchie
democratie
gedecentraliseerde eenheidsstaat
rechts en links
verkiezingen
volksvertegenwoordiging
kabinetsformatie
wetgeving
provincie
gemeente
Rechtspraak
<

de grondwet


De grondwet vormt het fundament van onze samenleving. Hierin liggen o.a. vastgelegd  volkssoevereiniteit, politieke- en sociale grondrechten ,een monarchale staatsvorm en een gedecentraliseerde eenheid (rijk, provincie, gemeente). Grondwetswijziging vindt plaats op een bijzondere manier.
<<<

monarchie

Nederland is een Monarchie. Ons staatshoofd is koningin Beatrix. Samen met het Kabinet vormt zij  de Regering van Nederland. Alle belangrijke stukken, zoals Wetten en Koninklijke Besluiten  worden door haar ondertekend. Maar dan moet ook altijd een Minister of Staatssecretaris medeondertekenen, omdat de koningin onschendbaar is. De minister neemt door zijn handtekening  (contraseign) alle verantwoordelijkheid op zich. In de praktijk betekent dat eigenlijk dat alle politieke macht bij het Kabinet ligt.
<<<

democratie

Nederland is een democratie. Nederlanders hebben dus invloed op wetgeving en bestuur van hun land. Zij hebben, als zij 18 jaar zijn kiesrecht. Zij mogen dan hun vertegenwoordigers kiezen voor de Staten Generaal, de Provinciale Staten en de Gemeenteraad.
In Nederland is vrijheid van meningsuiting (geen censuur vooraf), vrijheid van godsdienst en de vrijheid om partijen en verenigingen op te richten.
<<<

gedecentraliseerde eenheidsstaat

Nederland is onderverdeeld in  12 Provincies. Elke Provincie heeft weer een aantal Gemeenten.
Voor heel Nederland geldende regels (wetten)  worden door de Staten Generaal gemaakt. Regels die alleen voor een afzonderlijke provincie of gemeente gelden (verordeningen) worden opgesteld door de provinciale volksvertegenwoordiging  (Provinciale Staten) of door de gemeentelijke volksvertegenwoordiging (Gemeenteraad).
De Regering (Koningin en Kabinet) zorgt ervoor dat de wetten worden uitgevoerd en toegepast. In de Provincie doen dat de Commissaris van  de Koningin en Gedeputeerde Staten (GS). In de Gemeente zijn daarvoor de Burgemeester en de Wethouders (B en W) verantwoordelijk.
<<<

rechts en links
 
De belangrijkste principiële uitgangspunten van een politieke partij staan in het partijprogramma. Het verkiezingsprogramma houdt zich meer bezig met actuele en concrete zaken. Een rechtse partij is meestal wat behoudend (conservatief) van aard en legt meer de nadruk op het individu en diens materiële omstandigheden. Een linkse partij is wat vooruitstrevender (progressiever) en komt meer op voor de zwakken in de samenleving. Links vindt dat de gemeenschap daarvoor moet zorgen. Rechts wil weinig belastingen en zo min mogelijk overheidsbemoeienis. Links heeft veel (belasting)geld nodig voor zijn sociale plannen en is niet afkerig van grote overheidsbemoeienis. Een middenpartij heeft zowel wat linkse als wat rechtse denkbeelden in zijn programma. Een middenpartij (CDA) kan dus vrij makkelijk met een linkse partij (PvdA) of met een rechtse partij (VVD) samen werken. Tot in de zeventiger jaren werd onder rechts ook wel verstaan confessioneel en onder links niet-confessioneel.
<<<

verkiezingen

De grondwet bepaalt dat elke ingezetene die het Nederlanderschap bezit en 18 jaar of ouder is mag kiezen (actief kiesrecht) . Hij  mag zich dan ook verkiesbaar stellen (passief kiesrecht) voor de Staten Generaal en Provinciale Staten  en voor de Gemeenteraad .
De Gemeenten organiseren de verkiezingen. Een oproepkaart geeft aan in  welk stembureau men moet gaan stemmen. Op het stembiljet staan alle partijen die aan de verkiezingen deelnemen. Elke partij heeft zijn eigen kandidatenlijst en lijsttrekker.
Ons kiesstelsel komt erop neer dat een partij die 25% van de stemmen behaalt ook 25 % van de zetels krijgt (evenredige vertegenwoordiging). Een ingeleverd stembiljet zonder rood gemaakt hokje is een blanco stem. Onjuiste invulling maakt het stembiljet ongeldig. De elektronische stemmachine werkt zuiverder.
<<<

volksvertegenwoordiging

De Staten Generaal, het Nederlandse parlement, wordt op Prinsjesdag door de Koningin geopend. De Tweede en de Eerste Kamer zitten dan plechtig in de Ridderzaal bijeen. Zij luisteren naar de Troonrede. 'middags overhandigt de minister van Financiën de Miljoenennota.
De 150 leden van de Tweede Kamer worden om de 4 jaar gekozen. Zij worden door hun partij op de kandidatenlijst geplaatst.  Kamer leden van dezelfde politieke partij vormen de kamerfractie . Hun fractievoorzitter voert heel vaak namens hen het woord. De regeringspartijen hebben ministers geleverd voor het kabinet. Zij (de regeringspartijen) steunen daarom de regering. De overige partijen  in de kamer vormen de oppositie.
De 75 leden van de Eerste Kamer worden om de 4 jaar door de Provinciale Staten gekozen. Dit is een zgn. getrapte of indirecte verkiezing. Want de kiezers hebben via de door hen zelf gekozen Provinciale Staten indirect invloed op de samenstelling van de Senaat.  Deze kamer houdt zich vooral bezig met de grote lijnen in de landspolitiek.
De Kamervoorzitters  leiden de kamerdebatten. Alles wat in de kamers wordt gezegd wordt opgenomen in de Handelingen. De Eerste en de Tweede Kamer werken volgens een vaste Agenda. Daarvan wordt af geweken bij een Interpellatie (recht van interpellatie). Alleen de Tweede kamerleden mogen ingediende wetsvoorstellen wijzigen (recht van amendement). Ook zij alleen mogen zelf met wetsvoorstellen komen (recht van initiatief). De kamers kunnen de bewindslieden vragen stellen over het gevoerde  beleid. Vaak leggen zij dan hun mening over dat   beleid neer in een motie (een officiële kameruitspraak). De kamers kunnen ook buiten de regering om een onderzoek instellen (recht van enquête).
<<<

kabinetsformatie

Vlak voor de Tweedekamerverkiezingen biedt het zittende kabinet zijn ontslag aan. Het kabinet is dan demissionair en " doet de lopende zaken af" totdat er een nieuw kabinet is. Na de verkiezingsuitslag  vraagt de Koningin advies aan de vice-voorzitter van de Raad van State, de voorzitters van de beide Kamers en de fractievoorzitters van de Tweede Kamer. Meestal wijst zij daarna een informateur aan, die nagaat welke partijen met elkaar willen samen werken. Op basis van deze politieke verkenning benoemt het staatshoofd een formateur. Deze politicus probeert met een aantal fracties een regeerakkoord op te stellen. Als dat lukt gaat hij op zoek naar ministers, die meestal lid zijn  van een van de toekomstige regeringspartijen. Mocht de formateur om de een of andere reden toch niet slagen, dan geeft hij zijn opdracht terug. Het (in)formatiespel begint dan weer opnieuw.
Na beëdiging van de nieuwe ministers door de Koningin legt de minister-president in de Tweede Kamer de Regeringsverklaring af. Dan blijkt ook officieel of het nieuwe kabinet een kamermeerderheid heeft.
Een kabinet dient altijd het vertrouwen van een kamermeerderheid te hebben. Als dat vertrouwen er niet is kan het kabinet zijn ontslag  aanbieden (kabinetscrisis). Er moet dan een ander kabinet komen. Maar bij een conflict  tussen kabinet en kamer kan ook de kamer ontbonden worden. In dat geval komen er tussentijdse verkiezingen.
<<<

wetgeving

De Nederlandse wetten worden door departementale ambtenaren ontworpen en door de betreffende minister aan de Staten Generaal voorgelegd. Maar eerst gaat het wetsvoorstel  naar de ministerraad en daarna voor verplicht advies naar de Raad van State.
De behandeling in de beide kamers is ongeveer hetzelfde.  Eerst gaat het wetsvoorstel naar een Vaste Kamercommissie.  Deze stelt het Voorlopig Verslag op voor de minister, die dan weet hoe de Kamer zijn voorstel zal ontvangen. Tijdens de Openbare Behandeling worden eventueel amendementen ingediend. Soms zal de minister zijn voorstel terugnemen als hij vindt dat de Kamer  teveel wil veranderen. Soms meldt hij de Kamer  dat een bepaalde verandering voor  hem 'onaanvaardbaar' is. Dan kan er een kabinetscrisis ontstaan.
Als de Tweede Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen volgt een bijna zelfde procedure in de Eerste Kamer. Maar de Eerste Kamer mag geen veranderingen aanbrengen (amendementen). Als ook de senatoren hun fiat hebben gegeven  plaatst de Koningin haar handtekening en tekent de verantwoordelijke minister (contraseign). Vervolgens  wordt de wet in het Staatsblad gepubliceerd. 20 dagen na publikatie treedt de wet in werking en .... 'elke Nederlander wordt geacht de wet te kennen'.
<<<


provincie


De Commissaris van de Koningin vertegenwoordigt  de Regering in de Provincie. Samen met Gedeputeerde Staten (GS) vormt hij het dagelijks bestuur van de provincie. De Provinciale Verordeningen worden opgesteld door Provinciale Staten. Dit vertegenwoordigend lichaam wordt één maal in de vier jaar door de ingezetenen van de Provincie tijdens de zgn. Statenverkiezingen gekozen.  De Provincie zorgt o.a. voor het wegennet, de elektriciteit, het milieu. Tevens houdt de Provincie toezicht op de Gemeenten.
<<<

gemeente
De eens in de 4 jaar gekozen Gemeenteraad behartigt de gemeentebelangen, zoals gas, licht en water, openbaar onderwijs, huisvesting, bijstand, bevolkingsregister, rijbewijzen enz.
Uit haar midden wijst de Raad een aantal wethouders aan die samen met de Burgemeester het College van B en W vormen, het dagelijks bestuur van de gemeente. De Burgemeester wordt voor zes jaar benoemd door de Kroon. Hij is Hoofd van de Politie dus verantwoordelijk voor de  Openbare Orde.
<<<
 
Rechtspraak

Wij kennen in Nederland strafrecht , burgerlijk recht (civiel recht) en administratief recht. Het strafrecht behandelt misdrijven en overtredingen. Namens de  Staat treedt de openbare aanklager (officier van Justitie) op. Hij acht de gedagvaarde verdachte schuldig . In zijn requisitoir eist hij een  straf. De raadsman (advocaat)  betwist de aanklacht of benadrukt de verzachtende omstandigheden. Hij behartigt de belangen van verdachte en komt in zijn pleidooi vaak tot vrijspraak. De officier en de advocaat ondersteunen hun betoog met belastende- en ontlastende getuigenverklaringen. De getuigen staan evenals de verdachte onder ede. Meineed wordt zwaar gestraft. Na het getuigenverhoor, het requisitoir en het pleidooi trekt de rechtbank zich terug. Na 14 dagen doet de rechter een uitspraak.
Als de rechtbank vindt dat "het ten laste gelegde" niet is bewezen volgt vrijspraak. Acht de rechter schuld wel bewezen dan kan er een boete of vrijheidsstraf worden opgelegd. Een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar behoeft niet te worden ondergaan. Wel als de veroordeelde binnen dat jaar weer op hetzelfde wordt betrapt. In  bepaalde gevallen kan de rechter ook nog tot TBS besluiten.
<<<
Als de officier of de advocaat het niet eens zijn met een rechterlijk vonnis of arrest kunnen zij één maal in hoger beroep gaan. Een hogere rechter houdt zich dan met deze àppelzaak bezig. 
Het burgerlijk recht behandelt de relaties tussen de burgers onderling (bijv. allerlei contractuele zaken, erfeniskwesties, echtscheiding, schadegevallen enz.). Niet de Staat maar de individuele burger brengt het proces in gang. Burgerlijke processen vinden altijd schriftelijk plaats. Beide partijen moeten dan ook bijgestaan worden door een advocaat-procureur. Als men geen geld heeft voor een advocaat, kan men een pro deo advocaat vragen.Burgerlijke processen zijn vaak erg ingewikkeld en kunnen soms heel lang duren. Daarom heeft men het Kort Geding. De President van de Rechtbank doet dan een voorlopige uitspraak in een spoed eisend geval.
<<<
De kantonrechter behandelt overtredingen en burgerlijke zaken tot f.1500.-. De Arrondissementsrechtbank vonnist bij misdrijven en  burgerlijke zaken boven f.1500.-. Bovendien behandelt de Rechtbank beroepszaken van het Kantongerecht. Het Gerechtshof houdt zich uitsluitend bezig met beroepszaken van de Rechtbanken.  Ons hoogste rechterlijke college, de Hoge Raad, ziet erop toe dat de Nederlandse rechtspraak op de juiste wijze plaats vindt. Hij gebruikt daarbij  o.a. het Cassatierecht.
<<<