DE MIDDELEEUWSE SAMENLEVING
Geestelijken
Edelen
Burgers
Platteland
De stad
Handel
Nijverheid
De katholieke kerk
<  

De middeleeuwse samenleving was een gelaagde samenleving en werd steeds meer een geprivilegieerde standenmaatschappij. De drie standen geestelijkheid, adel en burgerij, baden, vochten en werkten onder leiding van hun vorst, in ruil voor macht en privileges. Toch vormden de geestelijken, edelen en burgers maar een zeer klein deel (10%) van de bevolking. De massa van boeren, landarbeiders en handwerkers behoorden tot geen enkele stand. Zij hadden maar weinig rechten maar des te meer plichten.
Godsdienstigheid en geprivilegieerde gelaagdheid waren kenmerken van de Middeleeuwen. De sterke gemeenschapszin  uitte zich in de kloosterorden , gilden en de ridderorden
<<<

Geestelijken
De rooms katholieke geestelijkheid is in twee groepen verdeeld. De wereldlijke geestelijkheid begeleidt de gelovige leken in hun dagelijks bestaan (doop, communie, huwelijk, begrafenis) . In de kloosters en abdijen woont de tweede groep: de orde geestelijkheid. De middeleeuwse kloosterlingen (monniken en nonnen) hadden ook een maatschappelijke functie als ziekenverzorgers, onderwijzers, (over)schrijvers, landontginners en boeren. Bedelaars kregen te eten en pelgrims kregen onderdak.
De hoge geestelijken (bisschoppen,abten en abdissen) waren meestal van adel. De bisschoppen hadden ook vaak politieke macht (landsbestuurders). Daardoor kwamen zij wel eens in moeilijkheden. Wie moesten zij gehoorzamen hun leenheer of de paus, die overigens zelf als vorst regeerde over de Kerkelijke Staat. Niet alleen door de opbrengst van de tienden maar ook door  legaten van rijke gelovigen waren de abdijen  vaak zeer rijk.
<<<

Edelen  
De hoge adel (hertog, markies, graaf) en de lage adel (baron, jonker) hielpen de vorst bij het bestuur en vormden zijn ridderleger. Zij woonden in bijna onneembare kastelen, en heersten naar welgevallen over hun eigen gebied en het in leen gekregen land. De kruistochten en de eeuwige twist tussen de Engelse en Franse koningshuizen verschafte de adel het avontuur en de zo fel begeerde roem en eer. De dappersten en machtigsten werden lid van de orde van het Gulden Vlies of van de Orde van de Kousenband. De Johannieters, de Tempeliers en de Duitse Orde waren geestelijke ridderorden: ridders die de kloostergeloften hadden afgelegd.
Aan de machtige positie van de adel kwam een eind toen boogschutters ridders konden verslaan (Gulden Sporenslag) ,    het buskruit de kasteelmuur verpulverde en het geld van de burgers huurlegers op de been bracht. De vorst was niet meer afhankelijk van de lastig geworden edelman.
<<<

Burgers  
Hoewel ieder die binnen de stadsgrenzen woonde vrij was of vrij werd hadden de meeste poorters maar weinig te vertellen. Alleen de door handel en nijverheid rijk geworden stedelingen hadden invloed op de samenstelling van het stadsbestuur en stelden hun landsheer hun eisen. Zij leenden hem geld of stonden hem een bede toe in ruil voor privileges. Zij vormden een aparte derde stand. Het was de rijke koopmansstand van Vlaanderen en Noord Italië die de kunstenaars van opdrachten ging voorzien, zoals bouwwerken en schilderijen .
<<<

Platteland  
De grote Volksverhuizing had het leven op het platteland er niet veiliger op gemaakt. Veel boeren zochten dan ook bescherming bij een heer. Zij ruilden hun vrijheid voor veiligheid. Zij werden horigen, hadden in alles instemming nodig van hun heer, maar waren toch minder rechteloos dan de lijfeigenen, afstammelingen van vroegere slaven. Het Christendom gaf hen echter een menswaardig bestaan.
Horigen en lijfeigenen woonden bij de vroonhoeve. Zij verrichtten alle voorkomende boerenwerkzaamheden op het landgoed. Geld was er niet veel meer. Er kon eigenlijk alleen maar geruild worden in natura. In feite was elk landgoed zelfbedruipend. Dit zgn hofstelsel ging later, toen er weer meer geld in omloop kwam, over in het pachtstelsel. Horigheid en lijfeigenschap werden afgeschaft of afgekocht. De boeren pachtten nu de grond van hun heer. Maar ze waren nog wel verplicht herendiensten te verrichten en ze bleven in hun vrijheid beperkt door de heerlijke rechten.
Een vooruitgang in de landbouw was het in de negende eeuw doorgevoerde drieslagstelsel, waardoor de akkeropbrengst kon worden verhoogd. Bij slechte of mislukte oogsten was er grote schaarste, soms zelfs hongersnood. Dat kwam door het slechte of afwezige wegenstelsel. Waardoor er hier te weinig en daar te veel voedsel was. Karel de Grote reisde daarom dan ook met zijn gehele hof van palts naar palts om zo het transportprobleem op te lossen.
<<<

De stad 
De neergang van het Romeinse rijk betekende natuurlijk ook het verval van de eens zo bloeiende steden. De handel stagneerde, de nijverheid ging sterk achteruit. Pas na de Noormannentochten (ca.1000) kwam er weer een opleving. Nieuwe stadskernen ontstonden bij een rivierovergang, een wegenknooppunt, bij een kasteel of klooster. Kooplieden en handwerkers vormden nieuwe woonkernen met eigen behoeften aan bestuur en recht. De landsheren waren wel bereid, natuurlijk tegen betaling, de nederzettingen uit te zonderen van het geldend recht ( van de heer). Zo ontstond het stadsrecht. Ter bescherming van hun stadsgemeenschap verleende de heer de stad ook vaak het recht de stad te ommuren.
Het stadsbestuur, op de samenstelling waarvan de heer nog wel enige invloed had, bestond uit een vroedschap en een aantal BurgemeestersSchout en schepenen zorgden voor recht en orde.
Vele steden werden later door de handel en nijverheid rijk en welvarend. In de politiek van de landsheer gingen zij dan ook met hun geld een belangrijke rol spelen. Met hulp van de poorters konden de eigenzinnige edelen in toom worden gehouden.
<<<

Handel  
Toen in de elfde eeuw de wegen weer veiliger waren geworden trokken kooplieden en marskramers van de ene jaarmarkt naar de andere jaarmarkt. Met het toenemen van de handel kwam er ook behoefte aan geld. In de stedelijke centra van Noord Italië ontwikkelde zich het bankwezen. Sommige steden hadden de stapel van een of meer producten. Had men een bepaald product nodig, dan wist men naar welke stad of naar welke jaarmarkt men moest gaan.
De handel langs 's Heren wegen werd overvleugeld door de zeehandel, mogelijk gemaakt door een nieuw scheepstype.  Het  wendbaardere  koggeschip   verving het logge karveel. De handelscentra kwamen nu ook aan zee te liggen (Noordzee, Oostzee, Middellandse Zee). De kooplieden van de Oostzeesteden sloten met de kooplieden van elders (o.a. Deventer en Kampen) handelsverenigingen, de Hanzen. De aangesloten steden konden rekenen op elkaars hulp en bijstand in handelszaken maar ook bij allerlei soorten van gevaren en risico's. Het Hanzeverbond werd in de veertiende eeuw overvleugeld door o.a. de Hollanders, de latere vrachtvaarders van Europa.
Belangrijke handelsproducten waren laken, zuivelproducten, graan, hout, haring, wijn en zout, specerijen en luxe artikelen.
<<<

Nijverheid  
De nijverheid werd vooral in de steden uitgeoefend en was heel vaak op het platteland verboden. De handwerkersbazen waren in gilden verenigd. Elk beroep had zijn eigen vereniging, bestuur en schutspatroon. Het gildesysteem waarborgde de klant kwaliteit en een redelijke prijs en de gildemeester een goede boterham en bijna geen concurrentie.
De opleiding liep van leerling, via gezel naar het meesterschap, wat alleen verkregen kon worden na het maken van een meesterstuk en als er dan nog plaats was. Anders werd je meesterknecht.
Het gildesysteem leidde uiteindelijk tot verstarring. Toen de afzetmarkten verder weg kwamen te liggen en de gildemeesters niet durfden te investeren, raakten zij afhankelijk van rijke en ondernemende kooplieden. Bovendien belette de gildevoorschriften en het conservatisme van de meesters modernisering en aanpassing van de productietechniek.
<<<

De  katholieke kerk  
De Middeleeuwen werden beheerst door het geloof en de kerk. Tot in de elfde eeuw bleef de christelijke kerk een eenheid. Toen splitste de geloofsgemeenschap zich naar aanleiding van de vraag of de paus ook zeggenschap had over het Oosten (Byzantium).Het Westen bleef onder het gezag van de paus, de bisschop van Rome. In het Oosten kwam de Grieks Katholieke Kerk met aan het hoofd de patriarch van Constantinopel.
De Rooms Katholieke kerk was hiërarchisch georganiseerd. De paus bijgestaan door een aantal kardinalen had het oppergezag over geestelijken en leken. Aartsbisschoppen, bisschoppen en pastoors (wereldlijke geestelijkheid) waren verantwoordelijk voor het zielenheil van de gelovigen. Vanaf de elfde eeuw werd de paus gekozen door en uit het college van kardinalen, dat daarvoor in conclaaf bijeengeroepen werd. Als de paus iets zeer belangrijks had te zeggen riep hij al zijn bisschoppen in een kerkvergadering (concilie) bijeen.
Naarmate het aantal ketterse opvattingen toenam werd ook de rol van de Inquisitie belangrijker. 
In de zesde eeuw ontstonden er in West Europa kloosters, waar  gelovigen afgezonderd van de wereld hun leven in dienst stelden van God. De broeders (monniken) en zusters (nonnen), die apart leefden, legden allen dezelfde geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af. Verder had elk klooster zijn eigen leefregel.
 Een aantal kloosters met dezelfde regel vormde een kloosterorde (Benedictijnen, Cisterciënzers, Franciscanen, Dominicanen).
De ontelbare kerken, kapellen en kloosters getuigen van de zeer vrome instelling van de middeleeuwse gelovigen en van hun sterke gerichtheid op het hiernamaals (memento mori: gedenk te sterven).
<<<