ENGELAND
<

Na de Romeinse overheersing (ca.50) staken in de vijfde eeuw de Angelen en Saksen over naar Engeland, waar zij 7 kleine koninkrijkjes stichtten. Ook de Engelsen waren niet tegen het Vikingengeweld opgewassen. De Denen bezetten Oost Engeland (Danelaw ca. 850). Maar na de dood van Knut (1035 ), die ook over een groot deel van Scandinavië heerste, verminderde de macht en invloed van de Noormannen.
De van de Noormannen afstammende Franse hertog van Normandië maakte aanspraak op de Engelse troon. Met een Frans vazallenleger viel Willem van Normandië Engeland binnen. Hij versloeg zijn Engelse rivaal bij Hastings (1066). De gevolgen van deze invasie waren groot. Vanaf het begin hield Willem de Veroveraar zijn leenmannen onder controle. Het zgn. Domesdaybook, waarin al het grondbezit stond opgetekend, vereenvoudigde de belastingheffing. Het Frans bleef lang de omgangstaal van de heersende klasse.
Hendrik II (ca.1175) verwierf door erfenis en huwelijk grote delen van Westelijk Frankrijk, waardoor hij leenplichtig werd aan de Franse koning. Jan Zonder Land raakte het grootste deel van deze gebieden weer kwijt (1214). Bovendien moest hij in de zgn. Magna Charta beperking van de koninklijke macht toelaten.
Uit de koninklijke raad ontstond geleidelijk aan een standenvertegenwoordiging. Onder Edward III (ca.1325) kwam er een parlement bestaande uit het "House of Lords" en het "House of Commons". Koning Edward meende recht te hebben op de Franse troon. Dat was het begin van de Honderdjarige Oorlog (1339-1453). Na aanvankelijke successen verloor Edward toch al zijn Franse lenen.
De zgn Rozenoorlog (1455-1485), een strijd tussen twee vooraanstaande Engelse geslachten, bracht het huis Tudor op de troon.
<<<
>

 

DE LAGE LANDEN
<

De Romeinen beheersten van ca. 100 v.chr. tot 40 n. chr.. de Lage Landen tot aan de rivierendelta. Overblijfselen van hun aanwezigheid zijn nog overal te zien en  in onze taal nog te horen. Vanaf de eerste eeuw vestigden zich hier Germaanse stammen: Bataven in het Westen, Friezen in het Noorden en  Westen , Saksen in het Oosten en Franken in het Zuiden. In de tijd van Karel de Grote maakte het grootste deel van de Nederlanden deel uit van het Karolingische rijk. Nijmegen was een belangrijke palts. Ook de in de Lage Landen  kwamen in de negende en tiende eeuw de Noormannen aan land om te roven en te plunderen. Sommigen bleven zelfs.
De tegenwoordige Benelux behoorde bijna helemaal tot het Duitse Rijk. De hertogen en graven waren dus allen leenplichtig aan de Duitse keizer. Alleen de graaf van Vlaanderen had nog een tweede leenheer, de koning van Frankrijk. De belangrijkste heren waren verder de hertogen van Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, de graven van Holland, Zeeland, Henegouwen en Artois en de bisschoppen van Utrecht en Luik.
Door de bloeiende Vlaamse lakennijverheid, waarvoor de wol uit Engeland werd aangevoerd, raakten de Vlamingen nog al eens betrokken bij de voortdurende Engels-Franse tegenstelling. Deze politieke tegenstelling kreeg een sociale ondertoon, toen de edelen zich voor de Franse koning uitspraken en het Vlaamse  koopliedenpatriciaat zich meer op Engeland oriënteerde. De Gulden Sporenslag (1302) werd een grote nederlaag voor het Franse ridderleger. Voor het eerst in de geschiedenis  versloeg voetvolk een ridderleger (te paard).
Allerlei veten en twisten tussen adellijke geslachten maakten de Lage Landen uiteindelijk een gewillige prooi voor de hertogen van Bourgondië. Door huwelijk verkregen zij het welvarende Vlaanderen en door een verdrag met gravin Jacoba van Beieren (1433) kwamen zij in het bezit van Holland, Zeeland en Henegouwen.
<<<
>

HET BOURGONDISCHE RIJK
<

In 1363 maakte de Franse koning zijn zoon Filips de Stoute (1342-1404) hertog van Bourgondië. Door een uitgekiende huwelijkspolitiek, verwierven de Bourgondische hertogen Vlaanderen, Artois, Brabant, Limburg, Holland, Zeeland, Henegouwen en Luxemburg.
Filips de Goede (1396-1467) koos in de Honderdjarige Oorlog de kant van Engeland. Deze hertog hield zich vooral bezig met bestuurszaken. Door centralisatie trachtte hij de lappendeken die zijn landen vormden tot een geheel te maken. De meeste gewesten hadden al een standen (staten) vergadering. Nieuw was een algemene standenvergadering de Staten Generaal. Nieuw was ook de Algemene Rekenkamer die het oppertoezicht over de financiën had.
De Bourgondische landen kende onder Filips een grote welvaart. Zij vormden een middelpunt van nijverheid, een knooppunt van handelswegen en een centrum van handel. Brugge, Gent, Antwerpen, Dordrecht, Rotterdam, Deventer en Amsterdam kwamen tot grote bloei. De materiële rijkdom kwam natuurlijk de kunst ten goede. Prachtige bouwwerken, schilderijen, beeldhouwwerken en edelsmeedwerk getuigen daarvan.
Karel de Stoute (1433-1477) wilde door verovering zijn landen aaneensmeden, bovendien wenste hij een koningskroon. Beide wensen bleven onvervuld toen hij in 1477 sneuvelde. Zijn nog jonge dochter Maria de Rijke (1457-1482) had het niet makkelijk. Haar leenheer de koning van Frankrijk ontnam haar Bourgondië. De overige gewesten dwongen haar een aantal privileges af.
De Nederlanden kwamen in de grote politiek toen Maria trouwde met de Habsburger Maximiliaan van Oostenrijk, keizer van Duitsland. De zoon uit dit huwelijk Filips de Schone (1478 -1506 ) huwde met de Spaanse erfdochter. De Bourgondische erfenis, de Habsburgse gebieden en de Spaanse landen kwamen uiteindelijk in één hand. Een wereldrijk was ontstaan, dat van Karel V (1500-1556).
<<<
>