Een kleine duik in de lange geschiedenis van ons onderwijs

0
420

Scholen zijn in Nederland de normaalste zaak van de wereld. Alleen al in het voortgezet onderwijs telt ons land 642 scholen (in 2015). Maar dit aantal is ooit met één begonnen. Wanneer is de eerste school opgericht? Hoe is de ontwikkeling van ons onderwijs verlopen? Welke invloeden van buitenaf speelden een rol? MijnSchoolIsUniek.nl zocht het voor je uit, en ontdekte dat een leraar die kan lezen en schrijven vroeger minder vanzelfsprekend was dan nu.

Over de allereerste school

Over de allereerste scholen in ons land is helaas weinig bekend. Wat we wel weten, is dat de Engelse kloosterscholen in de zevende en achtste eeuw na Chr. als voorbeeld dienen. In deze kloosterscholen leren jongens de bijbel lezen. In één ‘klas’ zitten jongens van zes tot twaalf jaar bij elkaar. Ook het niveau van het onderwijs tussen de verschillende kloosterscholen loopt sterk uiteen. Geen enkele kloosterschool is hetzelfde; je moet maar net geluk hebben met de wijsheid van je leraar.

Pas vanaf de zeventiende eeuw komen daar stadsscholen, bijscholen (onderwijs afgestemd op de dagelijkse praktijk) en eenvoudige dorpsschooltjes bij. Zo kunnen de meeste kinderen, jongens én meisjes, naar school. Toch zien lang niet alle ouders het nut in van onderwijs. En ook de overheid niet.

Invloeden van Reformatie

Humanisten zoals Erasmus (1469-1536) zien al eerder het belang van onderwijs in. Maar meer nog dan het Humanisme is de Reformatie van belang voor het stichten van nieuwe scholen. Ten tijde van de Reformatie wil Luther het onderwijs voor meisjes verder toegankelijk maken. Ook pleit Luther voor lesgeven in de moedertaal (in plaats van Grieks of Latijn) en wil hij een overheid die het naar school gaan van kinderen stimuleert. Het verkondigen van het katholieke geloof in scholen wordt verboden.

Kinderen mogen kind zijn

In de achttiende eeuw krijgt de lagere school onder invloed van de Verlichting een nieuwe functie. Het opleiden tot een goed burger en lid van een kerk maakt plaats voor het helpen ontdekken en ontwikkelen van de individuele mogelijkheden. Ook is dit de tijd van nieuwe inzichten over de opvoeding, ingegeven door Comenius, Locke en Rousseau. Eén van die inzichten is dat kinderen geen kleine volwassenen zijn, maar een eigen belevingswereld hebben. Tussen 1780 en 1850 worden er naar aanleiding van deze ideeën veel vernieuwingen in het onderwijs doorgevoerd, die nog steeds binnen het primair onderwijs merkbaar zijn.

De onderwijzer naar school

Vanaf 1784 worden de pijlen gericht op de onderwijzer. Dominee J. Van Nieuwenhuyzen sticht in dit jaar De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen: één van de belangrijkste geleerde genootschappen in ons land. Deze genootschap verbetert onder meer de opleiding voor onderwijzers, door het openen van zogenaamde kweekscholen.

Andere verbeteringen die deze genootschap voorstelt, worden opgenomen in drie aparte onderwijswetten. Door deze wetten worden er openbare scholen opgezet, maar wordt ook de baan vrijgemaakt voor bijzondere scholen, zoals kostscholen en scholen van een diaconie of parochie.

Opkomst van bijzonder onderwijs

Vanaf de negentiende eeuw wordt de term ‘bijzonder onderwijs’ geïntroduceerd. Bekommeren tot die tijd vooral liefdadigheidsinstellingen zich om moeilijk opvoedbare, zwakzinnige, dove of blinde kinderen, vanaf de negentiende eeuw kunnen ook zij op een eigen school terecht. Toch duurt het nog tot het midden van de twintigste eeuw voordat het aantal scholen voor bijzonder onderwijs uitbreidt. Zo wordt in 1947 de eerste Mytylschool opgericht voor aangepast onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen. Tegelijkertijd ontstaat de LOM school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden.

Kritiek op speciaal onderwijs

Een sprong naar de jaren negentig. Van alle kanten klinkt er steeds meer kritiek op de scheiding tussen regulier en speciaal onderwijs (zoals het bijzonder onderwijs inmiddels wordt genoemd). Het LOM en MLK onderwijs fuseren in het SBO, scholen voor Speciaal Basis Onderwijs. Vanaf dat moment gaan alle basisscholen en SBO scholen samenwerkingsverbanden aan.

Einde aan de schoolstrijd

Een bekende wet in de geschiedenis van het lager onderwijs is de wet van 1920 waarin het bijzonder en het openbaar lager onderwijs financieel gelijk worden gesteld. Zowel de rooms-katholieke, protestants-christelijke als de openbare scholen krijgen vanaf dat moment hetzelfde bedrag voor de bouw van schoolgebouwen, de aanschaf van leermiddelen en de salarissen voor de onderwijzers. Hiermee komt officieel een einde aan de schoolstrijd.

Standenonderwijs verdwijnt

Ook verbiedt deze wet het standenonderwijs. Dit betekent dat vanaf 1920 alle kinderen van lagere scholen hetzelfde onderwijs krijgen, en dat zij worden klaargestoomd voor alle vervolgopleidingen. Toch blijven er tot in de jaren vijftig en zestig nog ‘volksscholen’ en ‘opleidingsscholen’ bestaan. Die zorgen voor een doorstroom naar respectievelijk het ULO en de HBS of het gymnasium.

Andere opvallende onderwijsvernieuwingen

Jan Lighthart (1859-1916), onderwijzer in Amsterdam en Den Haag, is een belangrijke onderwijsvernieuwer. Ligthart zorgt voor een focus op de zelfwerkzaamheid en vrijheid van het kind, en de sfeer waarin een kind opgroeit. Bij het grote publiek wordt hij bekend door de door hem bedachte personages Ot en Sien.

Andere onderwijsvernieuwers zijn Maria Montessori (1910), Helen Parkhurst: een onderwijzeres uit Dalton en Rudolf Steiner. Vanaf 1930 worden Jenaplanscholen in ons land geïntroduceerd. Bij al deze pedagogen en onderwijsstromingen staat aandacht

voor de individuele ontwikkeling van het kind voorop. Deze vernieuwende ideeën zijn vanaf 1960 voelbaar in het gehele reguliere onderwijs. Onderwijs moet meer bieden dan een uniforme, passieve en cognitieve ontwikkeling. Het moet bijdragen aan de volledige ontwikkeling van de persoonlijkheid van een kind.

Opkomst van de Mammoetwet

Naast de schoolwet uit 1920 is ook de Mammoetwet uit 1968 een belangrijke onderwijswet uit de twintigste eeuw. Deze wet schaft de MULO, MMS en HBS af en vervangt die door de MAVO, havo en vwo. Ook ontstaat het ‘lager beroepsonderwijs’, het latere ‘voorbereidend beroepsonderwijs’. Idee achter deze wet is dat elk kind zowel een algemene als een beroepsopleiding moet volgen, waarbij de brugklas letterlijk dient als overbrugging. Na een hoopvolle start blijkt het concept van de brugklas toch niet ideaal. Het niveauverschil tussen leerlingen die van de basisschool komen is te groot. Dit leidt in 1993 tot de invoering van de basisvorming.

Blik in de toekomst

Met het platform MijnSchoolIsUniek.nl geeft het Onderwijsmuseum in samenwerking met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap leerlingen en docenten van het primair en voortgezet onderwijs ook de mogelijkheid geschiedenis te schrijven. Door een profiel aan te maken op het platform kunnen leerlingen opdrachten maken en filmpjes uploaden. Maak een SCHOOL-ID aan en leg het onderwijs van nu vast voor het nageslacht.