Slob: vrijheid scholen in aanpak pesten behouden

    0
    147
    Het is belangrijk dat scholen de ruimte houden om hun eigen keuzes te maken wat betreft het sociale veiligheidsbeleid en het aanpakken van pesten. Dit stelde minister Slob van OCW tijdens een algemeen overleg in de Tweede Kamer over sociale veiligheid op 5 september. Het overleg concentreerde zich vooral op pesten op scholen en anti-pestprogramma’s.

    De minister stelde blij te zijn met de stappen die scholen hebben gemaakt als het gaat om het bevorderen van sociale veiligheid. De wet ‘Sociale veiligheid op scholen’ heeft volgens hem goed uitgepakt. “Het gaat vrij goed met de sociale veiligheid’*, aldus Slob in het algemeen overleg.

    Een aantal partijen pleitte voor een aanpak voor het vo, waar pesten meer zou spelen dan in het po en nog niet alle scholen werken met een (bewezen effectief) anti-pestprogramma. Slob benadrukte in zijn reactie dat een goed pedagogisch en sociaal klimaat op scholen van fundamenteel belang is voor leerlingen, en dat het nadrukkelijk de opdracht van scholen is om hiervoor te (blijven) zorgen. Tegelijkertijd wil de minister er voor waken dat scholen onnodig belast worden. Scholen moeten volgens hem de ruimte behouden om zelf een aanpak en anti-pestprogramma te kiezen, die past bij hun populatie en visie. Hiermee sluit hij aan bij het standpunt van de VO-raad.

    Slob ziet wel een rol weggelegd voor de politiek om scholen meer inzicht te geven in welke anti-pestprogramma’s effectief zijn; er is nog onvoldoende bekend over aanpakken in het vo (in het po is hier onderzoek naar gedaan). Maar volgens de minister is het te kort door de bocht om scholen te verplichten te werken met een bewezen effectief anti-pestprogramma en de overige programma’s te verbieden. Ook die laatste programma’s kunnen misschien wel werken, het hangt af van diegene die het uitvoert en de wijze waarop het wordt geïmplementeerd, aldus de minister.

    De Onderwijsinspectie gaat verder in gesprek met scholen over de methodes die zij gebruiken.

    Monitor sociale veiligheid

    In dit kader onderstreepte de minister ook het belang van de monitor sociale veiligheid, die scholen jaarlijks dienen uit te voeren en met de inspectie te delen. ‘We moeten niet te vaak willen monitoren om scholen niet onnodig te belasten, maar deze monitor levert zeer waardevolle informatie op’, aldus Slob.

    Specifieke groepen

    In het algemeen overleg werd ook aandacht gevraagd voor specifieke kwetsbare groepen als het gaat om sociale veiligheid, zoals lhbti-jongeren en jongeren in het vmbo en praktijkonderwijs. Uit de LAKS-monitor 2018 blijkt bijvoorbeeld dat slechts 56% van de vmbo-leerlingen zich veilig voelt op school, en dat in het praktijkonderwijs scholieren bovengemiddeld vaak aangeven gepest te worden. Het is een terecht punt dat er (meer) aandacht moet zijn voor lhbti-jongeren en seksuele diversiteit, aldus de minister in zijn reactie. Hij gaf daarnaast aan in gesprek te gaan met de sectorraden over het vmbo en praktijkonderwijs.

    Leraren

    Slob gaat verder met de VO-raad en PO-Raad in gesprek over aandacht voor sociale veiligheid – en specifiek voor kindermishandeling – in de lerarenopleidingen.

    Het belang van voldoende goede leraren werd in het overleg meermaals genoemd. Een aantal partijen benadrukte dat problemen als werkdruk en uitval en het lerarentekort – waardoor soms onervaren leraren/invallers voor de klas staan – bijdragen aan een sociaal onveiliger klimaat. In zijn reactie gaf Slob aan dat het hierbij om complexe problemen gaat, maar dat uiteraard altijd gekeken moet worden naar de kwaliteit van de leraar voor de klas.

    *Tijdens het algemeen overleg werd verwezen naar cijfers uit de landelijke monitor sociale veiligheid 2016. Actuele cijfers volgen dit najaar. De individuele cijfers van scholen via de Inspectie komen ook in het najaar.