Frans en Duits zijn in een halve eeuw zo goed als dode talen geworden. Scholieren kunnen nauwelijks nog de titel van een Duits boek noemen. Van bekende schrijvers als Jean-Paul Sartre en Albert Camus hebben ze nog nooit iets gelezen.

Het goede nieuws is dat de omvang van dit schandaal eindelijk begint te gloren: er is een initiatief om de talen van onze buurlanden weer een vaste plaats te geven in het Nederlands voortgezet onderwijs. Zie het manifest Buurtalen. Hoe zoiets moet? Daar worden zo veel hoogdravende woorden aan gewijd dat je onwillekeurig denkt: dit gaat niet gebeuren. Maar misschien is er ook een eenvoudige route naar betere kennis van vreemde talen.

Inderdaad: als je de eisen maar genoeg afzwakt, wordt het op de universiteiten steeds drukker. Goed gezien!

Laten we eerst even stilstaan bij de oorzaak van de huidige malaise inzake Frans en Duits, anders zou iemand kunnen denken dat het een natuurverschijnsel is.

In 1963 werd in de Tweede Kamer de Mammoetwet aangenomen, een wet die het middelbaar onderwijs ingrijpend zou veranderen – de wet werd ingevoerd in het schooljaar 1968-1969. Enkele ingrediënten: mulo en hbs verdwenen, daarvoor in de plaats kwamen mavo, havo en atheneum. Ook nieuw: de zogenaamde vakkenpakketten.

Leerlingen deden niet langer examen in alle schoolvakken, ze kozen een pakket; soms een pakket van vakken waar ze goed in waren, soms een pretpakket – lekker makkelijk.

Gevolg, en we beperken ons nu even tot het vwo: leerlingen die zich voorbereidden op een wetenschappelijke studie deden vaak geen examen meer in vakken als geschiedenis en aardrijkskunde. Of in vreemde talen als Frans en Duits. Wat ooit verplicht was, kon je nu links laten liggen.

Omdat we nu een halve eeuw verder zijn en het geruzie om de Mammoetwet is verstomd, zou je denken dat je eindelijk hardop mag zeggen wat voor een kapitale blunder het is geweest een hoogwaardige opleiding (de hbs) te vervangen door een opleiding met een handvol keuzevakken (atheneum). Maar wie zoiets zegt, heeft buiten de waard gerekend.

In de wereld van de Nederlandse onderwijskunde (en helaas ook in de journalistiek) lopen nog altijd mensen rond die de Mammoetwet iets heel bijzonders vinden. Want moet je eens kijken wie er sindsdien allemaal naar de universiteit konden. Inderdaad: als je de eisen maar genoeg afzwakt, wordt het op de universiteiten steeds drukker. Goed gezien!

Hoe wij dit weten? Een half jaar geleden publiceerden we het boek Wij van de hbs – Terug naar de beste school van Nederland waarin de geschiedenis van deze school (1863-1968) staat beschreven. Aangemoedigd door al het goede wat deze hbs had gebracht, meenden we zoveel jaar na dato wel te mogen schrijven dat het een verlies is als je zo’n uitstekende opleiding met een breed vakkenpakket vervangt door een opleiding met een smallere basis. Dat kwam ons nog op heel wat schampere commentaren te staan, samengevat: oude mannen hebben heimwee naar het verleden.

Nu wil het toeval dat dit klopt: dat verlangen naar vroeger.

Sterker nog: wij denken dat het recept voor een betere toekomst in het verleden ligt. En dat recept luidt: de brede basis moet terug. Het vwo dient weer een opleiding te worden waar je eindexamen doet in twaalf of in zestien vakken, net als vroeger.

Nou is nóg een onderwijsvernieuwing het ergste wat je kunt bedenken – docenten en leerlingen zijn al goed gek gemaakt met de ene renovatie na de andere herstructurering – dat is de kortste weg naar meer chaos en ellende. Behoedzaamheid is daarom geboden.

Laten we eens te rade gaan bij Johan Rudolph Thorbecke, die in de 19de eeuw de hbs tot leven heeft gebracht. Thorbecke begreep dat je klein moet beginnen en zijn eerste doel was het stichten van vijftien rijks-hbs’en. Wie weet wat er daarna allemaal zou komen.

Waarom doen we dat niet opnieuw, ruim anderhalve eeuw later? Er worden in Nederland vijftien vwo-opleidingen aangewezen waar leerlingen eindexamen doen in alle vakken. Ook Frans en Duits behoren zo tot de vakken waarin iedereen na zes jaar eindexamen doet. Ja sorry, dat wordt keihard werken op die nieuwe opleiding en weinig tijd voor vertier. Maar dat was vroeger heel gewoon, je ging naar school tot de zaterdagmiddag.

Laten we dit experiment nadrukkelijk klein houden om de Nederlandse onderwijswereld niet van de kaart te brengen en ook om de benodigde docenten Frans en Duits te vinden, die inmiddels tot een zeldzame mensensoort behoren. En over een aantal jaren zullen we zien waar dit toe leidt.

Wie weet wordt het een succes en kan dit plan daarna op grote schaal worden toegepast. In dat geval verdient deze nieuwe opleiding beslist ook een nieuwe naam.

Tot die tijd noemen we het gewoon: de hbs.