NRC checkt: ‘Effect van school op leerresultaten niet groter dan 10 tot 20%’

    0
    1210

    De aanleiding

    De prestaties van Nederlandse kinderen zijn de afgelopen jaren gedaald, was de laatste conclusie van de onderwijsinspectie. Als reactie stelde Piet de Rooy, emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis, die eerder een boek schreef over de geschiedenis van het onderwijs, dat die conclusie wat somber was (NRC, 20/4). Er zou bijvoorbeeld een groot verschil zijn tussen goede en slechte scholen. „Uit internationaal onderzoek vanaf 1961 blijkt echter vooral dat de school er niet zo verschrikkelijk toe doet”, schrijft De Rooy. Het effect van een school op de leerresultaten in het algemeen wordt volgens hem niet groter geschat dan zo’n 10 à 20 procent. Het gezin en de peer group waar het kind in terechtkomt, zijn vele malen belangrijker, schrijft hij. Een lezer vraagt ons dit te checken.

    Waar is het op gebaseerd?

    De Rooy stuurt desgevraagd een lijst met Nederlandse en internationale wetenschappelijke artikelen en boeken op die zijn cijfer, 10 tot 20 procent, ondersteunen. Hij noemt onder meer de boeken De becijferde school. Meetcultus en meetcultuur (2014) en Stabiliteit van het schooleffect in het voortgezet onderwijs (2003).

    En, klopt het?

    Wanneer we experts bellen, zien we dat er onduidelijkheid is ontstaan over de woordkeuze van De Rooy. „Nu lijkt het alsof je al die scholen wel kunt afschaffen omdat de invloed beperkt is”, zegt Roel Bosker, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Bosker doet al decennialang onderzoek naar het effect van scholen op leerlingen en zegt dat een school een absolute en relatieve invloed heeft op prestaties. De absolute invloed van het überhaupt naar school gaan, is heel groot, en onmeetbaar, zegt hij. Maar er is daarnaast ook een relatief effect: het verschil in invloed tussen de ene en de andere school. „Ik denk dat De Rooy daarop doelt. En dan klopt die 10 tot 20 procent. Het effect van vrienden die school maar niks vinden versus vrienden met wie je samen huiswerk maakt, kan zo invloedrijker zijn op de prestaties van leerlingen dan de kwaliteitsverschillen tussen scholen.”

    Bosker zegt dat De Rooy had moeten opschrijven dat de „verschillen” tussen de scholen 10 tot 20 procent van invloed kunnen zijn op de prestaties, niet de scholen an sich.

    Ook Hans Luyten, universitair hoofddocent onderwijskunde aan de Universiteit Twente, zegt dat het daar waarschijnlijk is misgegaan. „Je kunt niet zomaar een experiment uitvoeren waarbij sommige leerlingen niet naar school gaan.” Dus het algehele effect van onderwijs is lastig te meten, zegt hij. Toch weten we dat het heel groot is, zegt Luyten. Hij noemt Amerikaans onderzoek waarbij de leerwinst tijdens de (maandenlange) zomervakantie is vergeleken met de leerwinst in de periode dat kinderen wel naar school gaan. Daar zie je al het sterke effect dat onderwijs heeft, zegt Luyten.

    We bellen De Rooy. Hij legt uit dat hij het in zijn opiniestuk inderdaad over het relatieveeffect van een school op de prestaties van leerlingen had. „Ik zat waarschijnlijk iets te dicht op de literatuur”, zegt hij. Lachend: „Mijn vrouw en ik zitten lang genoeg in het onderwijs om te weten dat de invloed hiervan groter is dan 10 tot 20 procent.”

    Conclusie

    Soms kan het missen van één woord onduidelijkheid creëren. Piet de Rooy schreef dat een school 10 tot 20 procent invloed heeft op de prestaties van leerlingen. Hij bedoelde niet het algehele effect van onderwijs op een leerling, maar het relatieve effect van een goede school ten opzichte van een minder goede school en dan klopt het cijfer ook volgens onze experts. Wij beoordelen deze stelling daarom als grotendeels waar.