Het leraarschap wordt ondergewaardeerd. Is meer geld de oplossing?

    0
    793

    Het leraarschap wordt ondergewaardeerd, zowel qua salaris als qua status. Iedereen is het erover eens dat daarin verandering moet komen, maar niemand weet hoe. Is geld de oplossing?

    Vraag de Nederlandse bevolking of ze denkt dat de waardering voor het vak leraar is afgenomen en het antwoord is ‘ja’. Vraag leraren zelf of ze denken dat de waardering van de Nederlandse bevolking voor hun vak is gedaald en er volgt een nog veel overtuigender ‘ja’. Leraren hebben een laag zelfbeeld.

    Tot die conclusie kwamen onderzoekers van de Universiteit Maastricht vorig jaar. Vroeger stond de leraar nog op een voetstuk. Een leraar op het gymnasium stond in 1982 even hoog in aanzien als een kolonel in het leger. Tegenwoordig deelt diezelfde docent een trede op de maatschappelijke ladder met een sergeant.

    Frank Cörvers, hoogleraar onderwijsarbeidsmarkt en een van de onderzoekers, legt uit dat de leraar door velen voorbij is gestreefd. Nederland telt steeds meer hoogopgeleiden, de hbo’er voor de klas heeft door die inhaalslag van de beroepsbevolking aan status ingeboet. En dat heeft zijn beeld van zichzelf maar ook het beeld dat de bevolking van hem heeft, geen goed gedaan.

    Verval

    Ook op de zogenoemde ‘beroepsprestigeladder’, een ranglijst met 138 beroepen die vorig jaar voor de derde keer verscheen, duikelden leraren basisonderwijs van plek 42 naar 69 ten opzichte van tien jaar geleden. Tweedegraads leraren (onderbouw vmbo/havo/vwo) gingen van 34 naar 50; leraren bovenbouw havo/vwo van 22 naar 43.

    Lesgevende beroepen hebben nog wel maatschappelijk aanzien, maar ze behoren zeker niet meer tot de top, zei Cörvers bij het verschijnen van de lijst in de Volkskrant. En dat terwijl het imago van het lerarenberoep dertig jaar lang nauwelijks was veranderd.

    Ook het salaris blijft achter, bleek vorig jaar uit een onderzoek van het Amsterdamse onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Vooral de docent in het primair onderwijs (po) verdient weinig ten opzichte van vergelijkbare werknemers bij commerciële bedrijven, gemiddeld per uur 11 procent minder. In het voortgezet onderwijs (vo) is de situatie beter: werknemers krijgen daar gemiddeld 1 procent minder dan zij zouden krijgen bij een commerciële werkgever.

    Werkdruk

    De onderzoekers vergeleken hiervoor kenmerken van werknemers, zoals opleidingsniveau, beroepsniveau, geslacht, leeftijd en contracturen. Een simpele vergelijking tussen een conducteur, een accountant en een docent is moeilijk te maken, zegt onderzoeker Arjan Heyma. ‘In verschillende sectoren zijn voor verschillende beroepen verschillende kwalificaties nodig. Wij hebben op basis van wat iemand heeft te bieden op de arbeidsmarkt een vergelijking gemaakt tussen markt en onderwijs.’

    De basisschoolleraren, verenigd in de vakbond PO in actie, eisen 900 miljoen euro om de loonkloof met de collega’s op middelbare scholen te dichten. Ook willen ze extra geld voor vermindering van de werkdruk. De regering heeft vooralsnog 270 miljoen euro toegezegd voor meer salaris. Ook het voortgezet onderwijs protesteert (onder de naam VO in actie) en vraagt vooral om minder lesuren.

    De lonen in het voortgezet onderwijs zijn weliswaar gemiddeld ‘redelijk marktconform’, zegt Arjan Heyma, maar verschillen tussen individuen kunnen groot zijn. ‘Ben je hoger opgeleid, man en werk je fulltime, dan kun je in de markt veel meer verdienen dan in het onderwijs. Is het precies andersom – lager opgeleid, vrouw en parttime – dan verdien je in het onderwijs relatief goed.’ Zulke onderlinge verschillen bestaan ook in het primair onderwijs, maar daar blijft wel bijna iedereen achter bij de markt.

    Een beginnende leerkracht in het primair onderwijs verdient circa 2.400 euro bruto per maand en kan in vijftien (jaarlijkse) stappen opklimmen naar 3.500 euro. Een docent op een middelbare school begint bij 2.600 euro en krijgt na twaalf periodieken een kleine 4.000 euro per maand. Is dat een probleem? Heyma zegt het zo: ‘Vinden we dat we voldoende goede mensen moeten aantrekken in het onderwijs? Dan moet je enigszins marktconform zijn.’ Saillant detail uit het onderzoek: marktconform in het basisonderwijs is niet hetzelfde als marktconform in het voortgezet onderwijs. ‘Er is een verschil in kwaliteiten. Je moet het verschil iets verkleinen, maar dat betekent niet gelijktrekken aan het voortgezet onderwijs.’ Hoe dicht de po’ers de vo’ers zouden moeten naderen, kan Heyma niet zeggen. Die vraag viel buiten de onderzoeksopdracht.

    Onrecht

    Hoogleraar Cörvers denkt daar anders over. Een basisschoolleraar en een tweedegraads docent in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn beiden hbo-opgeleid. ‘Die salarisverschillen moet je gelijktrekken, zoals in Vlaanderen al is gebeurd. Tenzij een onderzoek uitwijst dat het veel moeilijker is om aan tieners les te geven dan aan jongere kinderen, maar dat betwijfel ik.’

    Veel leraren overwegen de overstap van po naar vo. De Amsterdamse leraar Poul van Venrooij nam vorig jaar de omgekeerde weg, hij verruilde voortgezet voor primair onderwijs. Hij sympathiseert met de acties van de middelbare scholen voor minder werkdruk, maar het grote onrecht ervaart hij in het basisonderwijs. Toen hij na elf jaar in het voortgezet onderwijs terugkeerde naar zijn eerste liefde, moest hij 20 procent van zijn salaris inleveren. Is dat te verdedigen? ‘Nee. Volstrekt niet. Het werk is minstens zo zwaar.’

    Dat geldt zeker voor Marieke Schol, docent in het voortgezet speciaal onderwijs. Ze geeft les aan 16-jarigen met gedragsproblemen, maar krijgt betaald volgens de cao van het primair onderwijs. ‘Oneerlijk’, zegt ze. ‘Collega’s in het reguliere vo verdienen zomaar 600 euro meer.’

    Een hoge status en een goed imago van de leraar zijn belangrijk omdat ze het werken in het onderwijs aantrekkelijker maken voor (aankomende) leraren, schrijven de onderzoekers uit Maastricht. Maar dat is een zaak van de lange adem, stelt hoogleraar Cörvers, hoewel de waardering door de krapte op de arbeidsmarkt de komende jaren ook al sneller zou kunnen toenemen.

    Maar alles begint met meer geld. ‘Met meer salaris wordt het beroep aantrekkelijker’, zegt Cörvers. Of zoals het onderzoeksrapport stelt: ‘Er dient over een langere periode consequent geïnvesteerd te worden in betere arbeidsvoorwaarden, lerarenopleidingen en professionalisering van leraren.’